maandag 19 augustus 2013

Hoe de wereld verhertte

Ik was het eerste hert dat kon vliegen. Ik had een hertengezicht. Ik dacht als een hert en er waren vleugels uit mijn schouders gegroeid, van de ene dag op de andere. Ik had spierpijn van het vliegen, omdat ik nog moest wennen. Het mooie was dat ik over de oceaan kon vliegen en dat ik ontdekte dat die in het midden, ver op zee, totaal bewegingsloos lag, met spiegelglad wateroppervlak. Daardoor kon ik zien dat ik een witte buik had met kleine witte krulletjes in de vacht. Niks was fijner om mijn eigen buik te bewonderen in die stilte. Andere vliegende herten vonden dat ook. Ik was al snel niet meer de enige en met velen vlogen we in stilte. En terwijl mijn vriendjes en ik onze witte buiken in het gladgestreken oceaanoppervlak bekeken, was de wereld aan het verherten. Overal verschenen hertenvleugels op schouders van mensen. Onder een boom stond een man hout te hakken. Er werd ingezoomd op zijn schouder en krakend verscheen daar het beginsel van een vleugel, de botjes zacht en aaibaar als een hertengewei, met bruinkleurig vlies ertussen. Deze transformatie vond plaats in Dolby Surround, zoals in de bioscoop waardoor je over je schouder kijkt omdat het geluid daar vandaan komt en niet van het scherm. Een vrouw die haar gevallen schoudertas opraapte, kreeg vleugels. Deze beginnende herten moesten nog wachten tot hun vleugels uitgegroeid waren tot zeewaardige vleugels. En dan pas kon het echte werk beginnen.

dinsdag 4 juni 2013

Niks blogwaardigs

Er was al die tijd niks blogswaardigs te melden. Ik weet niet waar 'm dat in zit. Het blogwaardige bedoel ik. Ik ben gepreoccupeerd met persoonlijke zaken, vertel ik mensen. En daar laat ik het bij. Ik ben geen open boek en praat niet graag over mezelf, met vrijwel niemand. Hoewel ik geen moeite heb gênante gebeurtenissen uit mijn leven te vertellen, moeten ze eerst een verhaal geworden zijn. Zo herinner ik me, terwijl ik dit schrijf van dat open boek, dat ik een romantisch dingetje had met mijn toneelleraar toen ik jong was. Dat was niet op school, maar op een cursus. Ik fietste elke week helemaal naar het nabijgelegen dorp om drie uur toneelles te volgen in een barak ergens op een industrieterrein.
Een keer had hij me alleen bij hem thuis uitgenodigd toen hij het zei: 'Jij bent ook geen open boek.'
Hij zei het terwijl hij mijn lichaam streelde. Heel gewichtig vond ik het en werd ter plekke meer en meer mysterie. Mijn karakter was niet aan mij af te lezen. Hij moet zeker tegen de dertig zijn geweest terwijl ik zestien was. Hij kwam zelfs op mijn verjaardag en zat tussen alle tieners. Daar liet hij duidelijk zijn bewondering voor mijn oudere zus blijken. En dat vond ik weer heel stom. Dit was geen jaloezie of misschien ook wel als ik het dieper analyseer.
Die toneelleraar was wel een open boek. Toen ik dat jaar werd aangenomen op de toneelschool, kon hij daar niet over uit. Hij had mij jaren les gegeven maar nu hij echt iemand naar de toneelschool had geholpen, verbleekte zijn eigen carrière blijkbaar en bleef er niets dan afgunst over.
Ik hield laatst een lezing ergens, en kwam iemand tegen die gelijk met mij auditie deed op een andere opleiding, lang geleden. Ik werd aangenomen, hij niet. Daar ging het gesprek eerst over. Toen zei hij iets over mijn lezing.
'Ik zag je daar zo staan op dat toneel en je hebt nog steeds dat lichtvoetige. Dat had je toen ook al, dat lichtvoetige.'
Ik moet eerlijk bekennen dat ik niet weet of hij nou lichtzinnig of lichtvoetig zei. Dat maakt wel verschil. Ik vind lichtvoetig een mooier woord, dus laat ik hem dat zeggen. Als hij zei dat ik lichtzinnig ben, wordt hij toch meer iemand die mijn gedrag op zichzelf betrekt. Of word ik ineens wél een open boek. Mijn moeder zei vroeger dat ik licht ontvlambaar was. Maar ik vraag me eerder af of ik niet juist anderen met gemak doe ontvlammen in liefde, in woede of in afgunst.

maandag 21 januari 2013

De glasbakman

Als ik de hoek om kom, vangt hij onmiddellijk mijn blik. Hij zoekt houvast met zijn ogen. Het is nog ongeveer honderd meter tot ik bij hem ben, dus ik kijk naar de grond, want het is glad. In zijn buurt houd ik stil. Hij heeft mij al ruimschoots van tevoren aangeklampt. Zijn grote wagen staat half op de stoep. De bovenkant van de aanhanger staat al opengeklapt naar de hemel, klaar om te ontvangen. Straks zal hij de glasbak uit de grond omhoog takelen en het glas in zijn container laten kletteren.
'Ik ben net zo geschrokken van een sneeuwbal tegen mijn ruit.'
'O jee', zeg ik.
'Ik sta helemaal na te trillen.'
Zijn oordoppen hangen rond zijn nek. Die heeft hij nog niet opgezet. Het is een enorme kerel in een gewatteerd skipak.
'Nou, kom even bij', zeg ik en ik maak een gebaar in zijn richting alsof ik even geruststellend mijn hand op zijn arm wil leggen.
'Die kinderen weten niet beter natuurlijk, want het was meer een ijsbal. Dat krijg je nu hè. Het was zo hard. Ik ben me echt rot geschrokken.'
'Het is voor die kinderen natuurlijk het leukste wat er is.'
Ik zie de gedachte aan het plezier van de kinderen in zijn ogen. Die lichten even op.
'Je moet het ook niet verbieden natuurlijk. Dat zeg ik ook niet.'
Ik moet denken aan een artikel dat ik las over het verbieden van sneeuwballen gooien, maar dat was omdat een moeder had geklaagd nadat haar zoontje op gruwelijke wijze was ingepeperd.
'Maar dat ik daar toch zo van schrik.'
Dat lijkt hem nog het meeste te verbazen. Het helpt dat hij het allemaal even op een rijtje zet. Ik bedenk wat er allemaal thuis bij hem aan de hand kan zijn en hoe hij, in gedachten verzonken, van de ene glasbak naar deze hier in de straat reed.
'Het was daar bij het viaduct. Je schrikt je dood.'
Als ik denk dat hij rustig is, leg ik wel even mijn hand op zijn arm, zo licht dat hij nooit zeker zal weten of het echt gebeurde.