vrijdag 27 januari 2012

Vogels met een k

Mijn moeder en ik gaan een ochtend op proef naar de dagverzorging in het bejaardentehuis van hun dorp. Om te kijken of het iets voor haar is. Mijn moeder wil graag iets omhanden hebben en wij merken dat ze zich beter voelt als ze onder de mensen is. Van tevoren heb ik contact gehad met de vaste begeleidster en afgesproken dat we vandaag op de koffie komen, om kennis te maken met de groep en de begeleidsters. Wij mogen plaatsnemen aan het hoofd van de tafel. De mensen druppelen binnen achter rollators, met stokken en een enkeling in een rolstoel. Mijn moeder fluistert in mijn oor: 'Dat je hier dan ineens bij hoort.'
De aanwezigen hier zijn geen bewoners van het bejaardentehuis. Ze wonen allemaal nog zelfstandig en zijn allemaal van huis opgehaald door de chauffeur en komen hier één, twee of drie dagen in de week. Er is nóg een mevrouw die voor het eerst komt vandaag. We worden voorgesteld aan de groep.
'Kom maar gewoon hoor, het is hier hartstikke gezellig', zegt iemand.
'Kunt u rummikuppen?', vraagt de man die naast mijn moeder zit.
'Liever niet,' zegt mijn moeder alsof ze net door een vreemde mee uit eten is gevraagd.
'Anders konden we vanmiddag rummikuppen', legt de man uit, maar de begeleidster zegt dat wij alleen op de koffie komen en niet tot de middag blijven.
'O jammer', zegt de man.

Mevrouw Konijn is de oudste. Ze heeft als kind in het Maagdenhuis op het Spui gewoond, toen een weeshuis voor meisjes. Bij de nonnen.
'Zusters van de liefde. Krengen van barmhartigheid', roepen mevrouw Konijn en mijn moeder in koor.
'We kwamen altijd voor elkaar op, want van die nonnen moest je het niet hebben', vertelt mevrouw Konijn. 'Dat waren me toch een krengen.'
'Die nonnen waren verschrikkelijk', beaamt mijn moeder.
Ik kan de nonnenverhalen van mijn moeder dromen.

We gaan geheugenspelletjes doen.
'Vogels met een K', zegt de begeleidster.
'Kakatoe', opent mijn moeder het spel.
'Heel goed', zegt de begeleidster.
'Kaneelvogel', zegt een man vanaf de overkant van de tafel.
'Ik weet niet zeker of die bestaat, meneer Geesink, maar poëtisch is het wel', zegt de begeleidster.
'Ik meen er wel eens van gehoord te hebben', zegt meneer Geesink.
'Kakatoe', zegt de buurman van mijn moeder.
'Dat zei ik al', zegt mijn moeder.
De begeleidster legt mijn moeder uit dat haar buurman een beetje doof is en het waarschijnlijk niet gehoord heeft.
'Toch zei ik het', zegt mijn moeder, alsof de spelleiders de stand niet eerlijk bijhouden. Bloedfanatiek is ze.
Na de vogels moeten we gewone dieren bedenken die beginnen met een K. Het blijft een tijdje stil.
'Mevrouw Konijn?', zegt de begeleidster.
'Koe', zegt mevrouw Konijn.
'Konijn', zegt iemand anders.
'Ach ja, natuurlijk', zucht mevrouw Konijn.
We doen nog de waddeneilanden, hoofdsteden van landen en provincies, hondenrassen en paardenrassen (het onderdeel waarmee ik iedereen van tafel veeg). Voor de lunch nemen we afscheid. Ik zeg tegen mijn moeder dat we het thuis wel even zullen bespreken, maar ze is zó enthousiast. Ze wil het liefste volgende week beginnen.

Inmiddels gaat mijn moeder iedere week. Laatst vroeg ik of ze het leuk vond.
'Ik kom altijd met hoofdpijn thuis van het denken, want ze laten je echt nadenken.'
'En mevrouw Konijn? Is die er ook nog?'
'O, dat weet ik niet.'
'Dat was die wees die in het Maagdenhuis heeft gewoond.''
'Ja, er is wel een wees bij. Die is tweeënnegentig. Waar zou je nou anders een wees van tweeënnegentig ontmoeten?'

maandag 16 januari 2012

Mijn glimlach

Ik ben zojuist uitgescholden door een vrouw in de Hema en waarom? Omdat ik naar haar glimlachte. Ik deed dat niet bewust, maar zij wees mij erop. Ze stond in de rij voor mij en had zojuist afgerekend. Nu was ik aan de beurt en terwijl ik mijn pincode stond in te toetsen, kwam ze terug naast me staan en vroeg: 'Moet u soms lachen om mijn flesje wijn?'
Ik zei dat dit niet het geval was. Ze vroeg waarom ik dan zo moest lachen. Ze nam het nogal hoog op. Ik probeerde mij eruit te redden door te zeggen dat ik graag lachte. Maar daar trapte ze niet in.
'Jaja', zei ze. 'U heeft gelachen om mijn flesje wijn, maar ik woon hier al 28 jaar en ik mag drinken wat ik wil.'
Dit gesprek nam een hele rare wending en ik zei dat ik helemaal niet gezien had wat ze gekocht had.
'Nog liegen ook.' En daar had ze gelijk in. Ik had wel degelijk gezien dat ze een half flesje wijn gekocht had, maar er niks van gevonden. En ik begon me nu ook ernstig af te vragen waarom ik naar haar geglimlacht had. Je kunt niet zomaar naar iemand glimlachen want je krijgt de wind van voren.
'Zogenaamd een vriendelijk gezicht,' zei ze. 'Maar daaronder zit een vies, vies...' en ze schakelde over op een andere taal. Ik hoefde die taal niet te kennen om die te verstaan. De tranen sprongen in mijn ogen. Het kassameisje keek mij hulpeloos aan. Ik was overgeleverd aan deze klant. De vrouw verwijderde zich scheldend uit mijn buurt. Ik bleef nog even bij de kassa hangen, niemand zei wat. Ik draaide me om naar de schappen achter me. Over de speculaas heen, scande ik de winkel af en spotte haar op noord-west. Ik nam het rechtergangpad en maakte dat ik wegkwam.
Thuis bedacht ik wat ik had kunnen zeggen, hoewel dat bij dit soort types waarschijnlijk niet werkt, maar stel dat ik gezegd had: 'Mevrouw, ik heb van mijn leven nog niet zo gelachen. U maakt mijn hele dag goed met uw flesje wijn.'
Maar ik was te geschokt. Wat werd mijn glimlach daar zoeven verkeerd geïnterpreteerd.