vrijdag 18 november 2011

De dramadocente

Mijn moeder was een groot deel van haar werkende leven dramadocente. Mijn vader zat ook in het onderwijs. En de gesprekken bij ons aan tafel gingen altijd over leerlingen en didactische vaardigheden. Wat mijn vader vertelde, snapte ik. Mijn vader leerde mensen concreet iets, zoals meester Flik ons rekenen en taal leerde. Mijn moeders leven buitenshuis was een verzonnen leven. Zij was de enige dramadocente op aarde. Het was dé specifieke en persoonlijke kwalificatie voor wie en wat zij was. Toen ik nog heel klein was, nam ze me mee naar haar werk. Ik heb er leren zwemmen. Op het werk van mijn moeder hadden ze een zwembad. (Het is jammer als ik vertel waarom daar een zwembad was). En er was een heuveltje op weg van Bergen naar Bakkum, waar we extra hard overheen reden met haar Simca, omdat ik daar zo lekker misselijk van werd. Toen ik ouder werd begon ik mij te schamen voor de expressieve dramadocente in mijn moeder. Eén keer heel erg toen ze een vriendinnetje van mij imiteerde die een Limburgs accent had.

Afgelopen week gingen we op het gemeentehuis een formulier halen om een parkeervergunning voor invaliden mee aan te vragen. Het zou handig zijn, omdat mijn vader haar dan dichter bij plaats van bestemming kan afzetten als ze ergens heengaan. Ze gaan een paar keer per week koffie drinken op het strand. Mijn vader zet mijn moeder bovenaan de strandopgang af, en moet de auto beneden aan het duin parkeren. Hij moet vervolgens vijftig treden omhoog klimmen. Mijn moeder houdt zich intussen staande aan de paal met het bord 'verboden een bepaald percentage alcohol op het strand te nuttigen', als ze niet is weggewaaid tenminste. Een kwartier laten hervinden ze elkaar en lopen gearmd naar het strandpaviljoen.

'Waar is de wc?'
'Moet je nu?'
'Als papa straks aan de beurt is voor die vergunning, wil ik even extra mank langs die balie lopen.'
Mijn moeder overziet in de grote hal van het gemeentehuis de scène die straks gaat plaatsvinden.
'Papa gaat alleen even een formulier ophalen. Dat moet je thuis invullen en opsturen.'
'Ik wil toch even langslopen.'
Ze maakt aanstalten om op te staan, steunend op haar stok. Ik krijg zin om haar terug te duwen op het bankje.
'Mam, die mensen hier bepalen echt niet of jij die vergunning krijgt.'
'Ik wil het toch doen.'
'Jij blijft zitten en je gaat hier geen act lopen opvoeren,' bijt ik haar toe.
Mijn moeder trekt een gezicht alsof ik haar ik weet niet wat aandoe.
Onmiddellijk schaam ik me dat ik zo uitval. Ik loop even van haar weg.

dinsdag 15 november 2011

Het laatste rijbewijs

Mijn moeder had de formulieren ingevuld voor een nieuw rijbewijs. Voor de komende vijf jaar.
'Ik heb zo'n beetje alles bij elkaar moeten liegen', zei mijn moeder. Ze keek als een stout meisje. Mijn oudste zus was not amused.
'Ik vind het niet verantwoord dat jij nog gaat rijden met dat been', zei mijn zus.
Ik zag mijn moeders been het gaspedaal intrappen. Haar nieuwe heup zou op slot kunnen gaan, en ze zou haar voet niet meer van het pedaal afkrijgen. Ik zei dat ze niet alleen voor zichzelf een gevaar op de weg zou zijn, maar ook voor anderen.
'Kijk, dat je jezelf dood rijdt, moet jij weten. Maar ik rijd ook op die weg.'
Ik had Dr. Phil dit ooit op zo'n toon horen zeggen tegen een teenager in een aflevering over Texting & Driving. Ik wilde weten hoe zoiets uit mijn mond klonk. Ik had onmiddellijk spijt.
'Het is mijn laatste beetje waardigheid', zei mijn moeder.
Om het goed te maken zei ik: 'Vraag het dan wél aan, maar lijst het in.'
'Dat vind ik wel wat', zei ze. 'Mijn laatste rijbewijs in een lijstje.'

zaterdag 22 oktober 2011

Bob Dylan

We reisden af naar Antwerpen om de meester te zien. In 2004 schreef hij in zijn Chronicles hoe hij langdurig zocht naar een nieuw geluid en een daarbij horend publiek. Hij wilde steeds in dezelfde zaaltjes spelen en zo een nieuw publiek opbouwen. Ik denk dat het hem behoorlijk gelukt is en ik denk ook dat mensen die om de verkeerde redenen naar zijn concert komen vanzelf zullen afhaken. Hij heeft zich altijd willen vernieuwen en nooit willen vastleggen. Je moet niet gaan om hem de nummers van zijn platen te horen naspelen, of omdat je in de sixties ook al van hem hield. Mensen vragen: 'Is het nog wat, die Bob?' Dat vind ik beledigend. Als je met de verkeerde aannames een Bob Dylan concert gaat zien, kom je waarschijnlijk bedrogen uit. Ik denk dat dat met aannames vaker het geval is. Aan Bob ligt het niet. Die doet daar niet aan. Die heupwiegt en rockt en bluesharpt vrolijk verder. Hij zoekt, sluit zijn ogen voor iedere regel, hoe zal ik deze nu eens fraseren? Geen avond is hetzelfde. Bob is tamelijk magic.

Ik zag een interview met hem van lang geleden. Bob zat op een bankje op zijn ranch. Zijn kapsel ving wind.
De interviewer vroeg: 'Wat vind je leuk om te doen?'
'Ik hou van lachen.'
'En waar lach jij om?'
'Als iets grappig is.'

donderdag 6 oktober 2011

De wespenverdelger

Mijn ouders hadden een wespennest in de achtergevel van het huis, net onder het dak, bij het raam van hun slaapkamer. Mijn zus had het ontdekt. Mijn ouders hadden ook al wespen in hun slaapkamer gehad. Vandaag kwam een man op een ladder een poederachtig bestrijdingsmiddel in het gat spuiten waar de wespen in en uit vlogen. Even later zweefden er witte wespen boven het terras alsof ze dronken waren.
'Pas op', zei de man tegen mijn vader. Er zat een wesp op mijn vaders kraag geplakt. 'Ze willen nu alleen maar zitten en steken.'
Hij leek banger voor de wesp dan mijn vader.
'Wij doen altijd zo en dan gaan ze vanzelf weg', zei mijn vader en hij maakte een traag gebaar met zijn hand. De wesp verroerde zich niet.
'Ze kunnen niks anders meer dan steken', zei de man en veegde voor de zekerheid toch de wesp maar weg van mijn vaders kraag. We gingen naar binnen om onszelf te beschermen tegen de wit bepoederde wespenplaag die inmiddels boven het terras voor haar leven vocht.
Binnen bood mijn moeder de man koffie aan. Hij ging aan de keukentafel zitten.
'Hoeveel wespen zitten er nou in zo'n nest?', vroeg mijn moeder.
'Zeker zo'n acht tot tienduizend.'
'U bent zeker geen bang mens', zei mijn moeder.
'Als ik ergens in de zomer op een terrasje zit, ben ik panisch als er één zit, maar nu niet, want nu ben ik in de aanval. Ik ga altijd net onder de aanvliegroute staan.'
'Moet u geen pak aan, zo'n imkerpak?'
'Nee hoor, dan heb ik geen bewegingsvrijheid.'
'Nou, wat een interessant beroep heeft u.'
'Vroeger deed ik mollen', zei de man.

Door het raam zagen we hoe de wespen bij bosjes uit de muur op het terras vielen of er nog even boven bleven hangen. In slow motion. Sommigen lieten witte afdrukken achter op de glazen schuifdeuren, compleet met voelsprieten, lijf, kop, poten en vleugels. Als bewijs van het drama. Wiebelige wespenspoken.
'Nu moeten ze het liefst terug het nest in om het gif naar binnen te brengen', zei de wespenverdelger. 'De koningin moet dood.'
'O, de koningin moet dood', peinsde mijn moeder voor zich uit.
'En dan gaat het volk vanzelf.'

woensdag 5 oktober 2011

2011

Mijn moeder wordt een hele dag onderzocht op de geriatrische afdeling van het ziekenhuis. 'De afdeling voor oude mensen', zegt ze op de heenweg in de auto. Mijn vader en ik zijn vandaag haar begeleiders en mogen de hele dag op de afdeling blijven. Dagopname heet dat. We hebben een eigen kamer met een bed waar mijn moeder kan rusten als ze dat wil en er is een hoek met een tafel waaraan we spelletjes kunnen doen en de krant kunnen lezen. Aan deze tafel krijgen we straks ook lunch.

De deuren van de afdeling zitten op slot. Ik krijg van de verpleegster een code, om de deuren te ontgrendelen. En zo kan ik de hele dag in en uit. Naar de wc, die voor bezoekers buiten op de gang is, maar ook met mijn moeder als ik haar naar een andere afdeling moet rijden. Het onderzoek is grondig en zowel haar lijf als haar hoofd worden onderzocht. Mijn vader en ik vullen een formulier in over mijn moeders geheugen en gedragingen, terwijl mijn moeder in een ander kamertje een geheugentest doet. Bij de vraag of er veranderingen zijn in het seksleven, kijk ik de andere kant op. Mijn vader zegt hardop: 'Geen veranderingen.'

Na de lunch moet ik naar de wc. Ik typ de code in die ik de hele ochtend heb gebruikt, maar het groene lampje gaat niet branden. Ik sta te hannesen met die code, als er een man achter een rollator mijn kant opkomt.
'Lukt het niet?', roept de man me tegemoet.
'Die code was toch 2345?', vraag ik.
'Wat zegt u? Ik versta u niet', zegt hij.
'De code van de deur is toch 2345?' Ik schreeuw het in lichte paniek.
Nu komt er een verpleegster de gang op.
'Ja, dat is natuurlijk niet echt handig dat je die code hier hardop gaat lopen roepen', zegt ze.
'O, sorry', zeg ik.
'Wat gaat u doen, meneer Aartsveen?', vraagt ze aan de man.
'Ik wilde een eindje gaan wandelen', en hij kijkt verlangend richting gang.
'Dat lijkt me geen goed idee want dan raakt u de weg weer kwijt.'
'Dat zal toch wel meevallen', zegt meneer Aartsveen.
'Ik ga zo wel een stukje met u lopen. Ik maak even iets af. Ik kom u zo wel halen', en ze verdwijnt haar kamer weer in.
Meneer Aartsveen loopt terug naar waar hij vandaan kwam alsof het daar ineens allemaal te doen is. Ik sta volledig aan mijn lot overgeleverd bij de gesloten deur. Pas nu valt me het briefje op dat bij het codetoetsenbord hangt.
CODE OM DEUR TE OPENEN IS HET HUIDIGE JAARTAL.
Blijkbaar is de code na de lunch veranderd. Ik toets het huidige jaartal in en ik krijg een groen sein.
Op de deur hangt een A4 waar met grote letters op staat: LAAT GEEN PATIËNTEN VAN DEZE AFDELING MET U MEE NAAR BUITEN LOPEN. Ook dat zie ik nu voor het eerst. Als ik op de wc zit, schaam ik me. Ik zou aan de verpleegster willen uitleggen dat ik me nu pas realiseer wat voor afdeling dit is, met mensen die het huidige jaartal niet meer weten. Ik zou haar willen zeggen dat ik van nieuwe apparaten ook nooit de gebruiksaanwijzing lees. Dat ik onmiddellijk op knopjes begin te drukken om te kijken wat er gebeurt. Dat ik al die briefjes gewoonweg over het hoofd heb gezien. Maar ik zou het allemaal nooit in één zin kunnen samenvatten. En wat als ze geen tijd heeft om te luisteren naar mijn verdwaalde gedachten?
Later die middag moet mijn moeder nog een hartfilmpje laten maken op een andere afdeling. Als we door de deur moeten en ik de code intik om de deur te openen, vraag ik aan mijn moeder: 'Mam, wat is het huidige jaartal?'
'2011. Hoezo?', vraagt ze.
'O gelukkig', zeg ik.
'Was je dat vergeten?', vraagt ze.

dinsdag 20 september 2011

Hokje

Hij doet boodschappen. De eieren zijn in de aanbieding. Je krijgt de tweede doos gratis. Maar de schappen waar de eieren zouden moeten staan, zijn leeg. Er zijn geen eieren. Een vrouw staat beteuterd bij de lege schappen.
Hij zegt: 'Ik ga het wel even vragen aan een medewerker, of er nog eieren zijn.' Hij loopt weg. Zij wacht geduldig. Hij vraagt aan een jongen die elders vakken staat te vullen of er nog eieren zijn.
'O ja, er zijn nog heel veel eieren vlak bij de kassa.'
Hij gaat de vrouw halen. Verwachtingsvol lopen ze samen richting eieren. Vlak bij de kassa staan inderdaad eindeloos veel eieren. Het zijn twee stapels. Een stapel scharreleieren en een stapel gewone eieren.
'Ik neem de scharreleieren', zegt hij.
'Wat is het verschil eigenlijk?', vraagt zij.
'Deze kippetjes hebben lekker een beetje rondgelopen', zegt hij. Hij wijst naar de vrolijke kippetjes in het gras op de dozen scharreleieren. 'Ik vind dat fijn om te weten, maar als u daar niks om geeft.'
'Ze geven om ons ook niks', zegt zij.
'Die andere kippen zitten in een heel klein hokje', probeert hij.
'We zitten allemaal in een hokje straks', zegt ze en pakt twee dozen van de gewone stapel.

vrijdag 29 juli 2011

Een hernia of geen hernia

Mijn moeder verkondigde al weken dat ze een hernia had en dat ze dan een kleine operatie nodig zou hebben, klaar, weg, pijn in de lies. Ze had nog geen uitslag van de MRI gehad, maar ze wist het zeker. Ze hoopte op een hernia, opdat de pijn aanwijsbaar zou zijn en de mogelijkheid bestond het te verhelpen. De vakantie werd er voor afgezegd en mijn zus en ik waren gekomen om mee te gaan naar het ziekenhuis voor de uitslag.
'Als ik een hernia heb, gaan we uit eten', zei mijn moeder.
Met zijn vieren zaten we in het kleine wachtkamertje gepropt, mijn zus, mijn vader, mijn moeder en ik.
'Een alleraardigste vrouw, de neurologe, een Poolse', zei mijn vader. Hij bleef de naam herhalen. Hij had duidelijk geoefend.
'Ze is totaal niet wat je verwacht bij een neurologe.'
Even later zaten we op een rij voor het bureau van een vrouw die geen doktersjas droeg, maar een zwarte jurk met rode bloemen, haar gezicht zorgvuldig opgemaakt en haar lange zwarte haar over één schouder gedrapeerd.
'U heeft geen hernia', zei de vrouw die er niet uitzag als een neurologe.
Mijn moeder reageerde teleurgesteld. 'Maar ik heb wel pijn', zei ze, alsof de neurologe haar die pijn ter plekke gaf.
'Dat geloof ik', zei de neurologe, 'maar de pijn komt niet door een hernia en er zit ook geen zenuw in de knel.'
Ze liet de foto's zien op haar computerscherm. We tuurden naar de dwarsdoorsnede van de ruggengraat van mijn moeder.
'En wat moet ik nu?', vroeg mijn moeder.
'Ik stuur u terug naar de orthopeed en die moet weer verder zoeken.'
'Dat gaat maanden duren en ik maar pijn lijden', zei mijn moeder.
'Ik kan verder niks doen.'
'Dus ik heb geen hernia?', vroeg mijn moeder alsof de neurologe nog van gedachten zou veranderen.
'Ik heb een hernia uitgesloten. U heeft geen hernia.'
Beneden maakten we een nieuwe afspraak met de orthopeed.
Toen we buiten stonden, zei mijn moeder: 'Dan gaan we toch maar uit eten om te vieren dat ik geen hernia heb.'
Deze week krijgt mijn moeder een botscan.

maandag 25 juli 2011

Ouder worden en er iets van vinden

'Ik vind er niks aan, ouder worden', zegt mijn moeder.
'O', zegt mijn vader.
'Vind jij er wat aan dan?', vraagt mijn moeder.
'Kan best zijn dat ik er ook niks aan vind, maar ik praat daar nooit over', zegt mijn vader.

dinsdag 5 juli 2011

Nagels knippen

'Wil jij onze nagels knippen?'
'Ja hoor', zeg ik.
'Wij kunnen er niet meer bij.'
'Het schaartje hebben we al klaar gelegd.'
'Het ligt binnen op het theekastje.'
'Zodat we het niet zouden vergeten te vragen.'
Ik haal het schaartje, pak een krukje uit de garage en loop terug de tuin in.
'Wie wil eerst?' vraag ik.
Mijn vader wil eerst.
'Zo, leg je voet maar op het krukje.'
Mijn vader begint al te sissen nog voor ik de schaar in zijn teennagel heb gezet. Ik bestudeer zijn voeten, in hoeverre ze op de mijne lijken. Sommige nagels zijn moeilijk want die zijn verkalkt en daardoor dik en hard. Zijn huid is extreem zacht.
'Zo, volgende patiënt', roep ik als ik klaar ben.
'Ik zit in de wachtkamer', roept mijn moeder en ze legt haar boek op tafel. Ik zet het krukje voor haar neer.
'Had jij nou ooit verwacht dat je onze nagels nog eens zou knippen?', vraagt ze.
'Nee nooit', zeg ik.
Mijn moeder heeft mooie voeten, met hoge wreven. Balletvoeten. Ik bewonderde ze als kind al en probeerde mijn voeten net zo te houden als mijn moeder als ze met haar benen over elkaar zat, haar schoen soms bungelend aan haar teen, maar mijn wreven zijn niet zo mooi hoog. Haar nagels zijn zacht en soepel. Het werkje is zo gepiept maar ik neem de tijd.

Het lekkerste chocolaatje

Mijn vader heeft een chocolaatje bij zijn koffie gekregen. Hij steekt het in zijn mond en sluit verzaligd de ogen.
'Dit is wel het lekkerste chocolaatje dat ik ooit gegeten heb', zegt hij.
Mijn moeder naast hem zegt: 'Inderdaad, je ruikt helemaal lekker.'
Hij blaast zachtjes richting haar neus en zij snuift de geur op. Dan geeft hij haar een kusje op haar bovenarm.
'Heerlijk hè', zegt ze.

maandag 13 juni 2011

Wereldse vrouw

Toen mijn vader nog studeerde, werkte mijn moeder in Antwerpen, om daar Douwe Egberts koffie in de markt te zetten. Ze stond ergens op een beurs en bood de mensen dan een kopje koffie aan. Ze verdiende ontzettend veel geld. Omgerekend 45 gulden per dag, maar ze kreeg het uitbetaald in Belgisch geld en dat kon je alleen daar besteden. Ik ben niet nagegaan of deze informatie klopt, maar dit is het verhaal zoals ik het vernomen heb, toen ik gisteren mijn vader en moeder op bezoek had.
Mijn moeder maakte haar geld dus op in Antwerpen en kwam met tassen vol cadeaus in het weekend naar huis.
'Ze kwam helemaal anders terug', zegt mijn vader.
'Hoe dan?' vraag ik.
'Ze had dan een truitje aan, helemaal uitgesneden tot hier', en hij wijst naar net boven zijn navel.
'Vond je dat leuk?' vraag ik.
'Dat vond ik wel leuk', zegt hij.
'Ik kocht daar allemaal rokken van kamgaren en van die mooi zittende truitjes. De mode is daar heel anders', zegt mijn moeder.
'Ze verdiende zoveel geld. Ze kwam helemaal uit Antwerpen met een taxi.'
Ik zie haar voor me, eerst één been en dan haar nauwsluitende rok en dan haar decolleté en een bos niet te temmen krullen. Mijn wereldse moeder die een beetje voorover gebogen uit een taxi stapt, om met nogal wat bravoure haar verloofde het hoofd op hol te komen jagen.
'Ze ging weg als een vroom meisje en kwam terug als een wereldse vrouw.'

dinsdag 24 mei 2011

Kijken of zien

Ik kijk bijna nooit mensen aan. Ook niet als ik met ze praat. Ik kijk in de lucht of naar beneden of weet ik waar ik naar kijk. In elk geval zoek ik nooit ogen. Toen ik, lang geleden, in Amerika ging studeren, ontving ik een brochure over Het Nieuwe Land waar ik binnenkort heen zou gaan. Er stonden dingen in als: De Amerikaan vraagt altijd hoe het gaat. Dit is een beleefdheidsfrase. Je antwoordt daar niet uitgebreid op. Je zegt gewoon dat het goed gaat, ook al gaat het slecht. Als je een Amerikaan aanspreekt, kijk je hem recht in de ogen. Als je dat niet doet, wordt dat als onbeleefd ervaren.
Dit weekend gaf ik een cursus toneelschrijven en halverwege een les werd ik mij weer eens bewust van mijn oogontwijkend gedrag. Maar tegelijkertijd realiseerde ik me wat ik wel zag. Ik zag waar de verhalen heen moesten. Ik had mijn cursisten even daarvoor een beeld laten opschrijven dat ze bij hun stuk vonden passen, abstract of concreet. Ik had deze opdracht nog nooit gedaan. Ik verzon het ter plekke. Er kwamen hele mooie beelden uit. Een rietstengel die meebuigt met de wind omdat ie anders afbreekt. Een raam dat uitkijkt op een raam aan de overkant. Ze maakten voor mij heel duidelijk waar de stukken over gingen. Die beelden lieten mij dat zien. In mijn hoofd.

vrijdag 13 mei 2011

Jeugdvriend

Zijn moeder bakt zelf brood, maakt zelf jam en boter. Het is haar grote trots. We zitten in de keuken en krijgen een dikke plak, donker, vochtig brood met daarop een laag vlokkige boter en een dikke laag jam. Ze noemt het gebakjes. De boter smaakt altijd een beetje gekkig. Zij vindt het de beste boter van de wereld en ik doe alsof ik het lekker vind omdat gezegd wordt dat het lekker is. Liever at ik alleen het brood met de jam of nog liever alleen de jam, want het brood smaakt zurig, net als de boter. In hun huis ruikt het ook zurig. In de keuken staat een grote karnton op de grijze tegels. Dezelfde tegels als bij ons op de wc met dieren erin. Hier zitten weer andere dieren in.

Mijn jeugdvriend overleed, niet toen onze jeugd nog in volle bloei was, maar veel later. Hij stortte op zijn negentiende in elkaar op het hockeyveld. Mijn moeder vertelde het me toen ik terugkwam van vakantie. Ze drukte me op het hart dat zijn moeder het fijn zou vinden als ik langs zou gaan om met haar te praten over haar zoon. Ik heb het nooit gedaan.

Antoine en ik speelden met barbies, zaten samen in bad en sliepen in één bed. Op een dag belde ik aan, zoals altijd, om te spelen. Zijn moeder deed open en zei: 'Je moet hier maar niet meer komen. Antoine moet meer met jongens gaan spelen.'
Ik deed wat ze vroeg.

woensdag 11 mei 2011

Uitvalsbasis

Het terras ligt dicht bij een druk kruispunt. Ik zit te wachten op de redactrice. Het proletengehalte blijkt hoog op het kruispunt waar vijf wegen samenkomen. Proleet is een woord van mijn moeder. Als zij omver wordt gelopen in de stad, of voor de sokken gereden, krijgt de dader steevast 'Proleet!' naar zijn hoofd geslingerd, waarbij ze nadruk legt op de laatste lettergreep.
Er staat een auto voor het stoplicht met een man van middelbare leeftijd met kaal hoofd. Pompende muziek uit zijn speakers. Als hij groen licht heeft en de bocht neemt rijdt hij bijna twee fietsers ondersteboven. Gescheld van de fietsers. Van het rijdende cliché is alleen nog het wolkje rook uit zijn uitlaat te zien. In de verte komt de redactrice zwaaiend aangelopen.

'Ik zat hier vanmiddag ook al. Het is hier echt een gekkenhuis.'
'Nooit geweten dat dat hier was', zeg ik.
We bestellen koffie.
'Wat ik vaak bij beginnende schrijvers zie, is dat ze alles in dienst van het plot schrijven, terwijl ik gewoon ook wel eens de stilte van een personage zou willen lezen. Wat doet zo iemand als die alleen in een kamer zit? Wat hangt daar aan de muur bijvoorbeeld? Daar mag best een foto van een opa hangen, ook al komt die opa in het hele verhaal niet voor. Een scène die er ogenschijnlijk niet toe doet voor het verhaal, maar die wel heel veel zegt op een ander niveau.'
Ik bedenk wat mijn personages doen als ze zich ongezien wanen.
'Soms weet zo'n schrijver niet eens hoe het huis van zijn personage eruit ziet. Geef zo iemand een uitvalsbasis, denk ik dan.'
'Jij bekommert je om de personages', zeg ik.
'Ja', zegt de redactrice vol vuur. 'Ze hoeven niet alleen maar in dienst van het verhaal te staan. Ik vind dat onmenselijk.'
'Onpersonagelijk.'
'Ja.'
'Jij zou eigenlijk een opvanghuis moeten beginnen voor personages die geen thuis hebben.'
'Ja, eigenlijk wel', zegt ze lachend.
Een vrouw komt bij ons tafeltje staan. Ze heeft haar fiets aan de hand.
'It's my birthday. Do you have some money for me?'
'No sorry', zeggen wij.
Bij het weggaan blijft één van de stoelen die bij ons tafeltje staat achter haar fietstassen haken. De poten van de stoel krassen over de stoeptegels. De vrouw heeft niets in de gaten. Pas bij de tafel van de buren laat de stoel los.

dinsdag 26 april 2011

Balkongebruiken

Het achterbalkon van ons huis ligt dicht bij een hoek, dus er zijn vele balkons waarop wij zicht hebben. Bovendien houden de mensen die er wonen een oud gebruik in ere. Vanaf het balkon buurten met de buurvrouwen. Met wie er dan ook op haar balkon verschijnt. Van drie hoog naar de tuin. Van één hoog naar tweehoog. Alles houdt mekaar kris kras op de hoogte van het hoe of wat. Wij zitten in een hechte hoek. Zo weet ik in korte tijd vrij veel van de buurt. Er is een vrouw die veel drinkt. Die schijnt nogal eens te vallen in huis. Soms is er bezorgdheid als ze niet op haar balkon verschijnt, want ze zou wel 's op apegape kenne legge. Een ander had tijdschriften in de aanbieding en of de buurvrouw die helemaal in de hoek beneden zit, interesse had. Had ze niet en ze kende ook niemand maar bedankt voor het aanbod. Eeuwig zonde vond de bezitster van de tijdschriften het. Ze waren nog helemaal nieuw want zij las ze zelf niet. Maar de benedenbuurvrouw liet zich niet overhalen. Ik had ze best willen hebben, maar ik doe nog niet mee. Naar mij wordt vaag geknikt. Ik knik terug. Ik weet niet wat er van mij verwacht wordt, wat de gebruiken zijn. Misschien zou ik een speech moeten houden om de balkongangers een indruk te geven wat ze zoal van mij op het balkon mogen verwachten. Ik weet nog niet hoe ik het ga aanpakken. Vooralsnog drink ik er mijn koffie, eet ik er mijn lunch en bewater de viooltjes. Misschien moet ik vaker ruzie maken, zodat de buren kunnen meegenieten van wat ons zoal bezighoudt. Zodat ik dan weer kan opvangen wat er over ons verteld wordt en ik zo kan verder bouwen aan mijn balkonimago.

woensdag 20 april 2011

Schrijfles

Ik heb mijn cursisten voor vanavond de opdracht gegeven om op twee manieren een personage te creëren. Eén naar aanleiding van een vragenlijst die ik ze gegeven heb en het andere ontstaan door het direct in een actie te plaatsen. Je hebt schrijvers die bij het schrijven alles van tevoren plannen en exact weten wat het lievelingseten van het personage is en je hebt schrijvers die gewoon beginnen en er al schrijvende achterkomen met wie ze het genoegen hebben. En dan alle manieren ertussen en erbuiten. Zo leg ik het mijn cursisten uit.
Ik geef schrijfles, maar vaak vraag ik mezelf af of ik het zou kunnen, het uitvoeren van mijn eigen opdrachten. Ik heb van vele docenten schrijfles gehad. Ik zou willen dat ik al hun opdrachten had opgeschreven in een schrift, dat ik nu kon openslaan bij het voorbereiden van een les. Ergens moeten hun opdrachten in mijn geheugen achtergebleven zijn. Meestal probeer ik te bedenken wat belangrijk is voor een beginnend schrijver om te weten. Ik probeer mezelf weer als onwetende (wat niet moeilijk is) voor te stellen en dan probeer ik van daaruit een opdracht te verzinnen, een opdracht die mij zou hebben geholpen. Je geeft altijd les vanuit je eigen manier van leren, heb ik geleerd op een didactiekcursus. Ik zeg altijd tegen mijn cursisten dat er geen foute of goede manier is om een opdracht te doen. Ik probeer ze duidelijk te maken dat ze de opdracht naar hun hand moeten zetten. En dat ze keuzes maken en die registreren, omdat het eigen schrijfproces en het doorgronden daarvan eigenlijk nog de beste leerschool is.
'Je moet het zelf goed of interessant vinden', zeg ik vaak.
Op het moment dat ze dat gaan durven, kunnen ze zichzelf gaan onderwijzen en ben ik overbodig geworden. Als schrijfjuf dan.

vrijdag 8 april 2011

Ergernissen

'Wij ergeren ons groen en geel aan elkaar', zegt mijn vader.
'Waaraan dan precies?' vraag ik.
'Nou, dan sta ik in de keuken en dan zegt zij wat vanuit de kamer en dat versta ik niet want daar zit zó'n muur tussen.'
'Ja, da's niet handig', zeg ik.
'En ze praat steeds maar over haar ziektes.'
'Ja, dat is waar. Ik heb het nergens anders over', zegt mijn moeder.
'En tegen iedereen hetzelfde verhaal en steeds in dezelfde bewoordingen en ik heb dat dan al tien keer gehoord.'
Mijn vader gaat er eens goed voor zitten.
'Maar ik praat daar gewoon graag over', zegt mijn moeder en ze kijkt mijn vader met een verontschuldigend lachje aan.
'En ik kan daar niet tegen, tegen ziektes. Ik hoef dat niet te horen, maar ja, jij hebt dat nodig.' Hij glimlacht naar haar.
'En zo zitten we dus de hele dag te mopperen', zegt mijn moeder inmiddels stralend.
'Ik heb wel eens gehoord van een echtpaar dat nooit ruzie had en toen hen gevraagd werd wat hun geheim was, zeiden ze dat ze een boekje hadden waarin ze hun ergernissen opschreven. Ze spraken er nooit met elkaar over en ze waren ook nooit chagrijnig. Ze schreven het van zich af in dat boekje en de ander kon het lezen wanneer die maar wilde.'
'O, dat kunnen wij ook wel eens proberen, Hendrik.'
'Ik heb boven nog wel een leeg schrift liggen.'
Ze kijken even tevreden voor zich uit.
'En dan schrijf ik op de kaft,' en mijn vader kadert het woord in de lucht: 'Er-ger-nissen.'
'Dat vind ik dan weer zo irritant dat je dat voorop wilt schrijven', zegt mijn moeder.

zaterdag 2 april 2011

Nu verkrijgbaar



caleidoscopisch veelluik over de wereld van gister en morgen

Tijd om naar huis te gaan. We staan in de grote stad. Dat wel. We zijn erbij. En van deze tijd. We beseffen niet hoe oud de stenen zijn waarop onze voeten staan. En vragen ons niet af of hier ooit eerder mensen stonden zoals wij. Our age. Cool as we are. Self made. Gesampled & geshuffled. Onze konijnenoren hangen scheef. Het regent nog steeds. En we hebben gesprekken die diep zijn of lijken. Je moet blijven proberen en falen geeft niks. Probeer opnieuw. Faal opnieuw. Faal beter. Het wordt al licht. Maar wij zijn nog van gisteren.

DE WERELD IS ONDERTITELD bevat zeventien korte fragmentarische toneelstukken die apart of in verschillende combinaties gespeeld kunnen worden, waardoor steeds een nieuwe dynamiek of andere thematiek ontstaat. Stukken die elkaar aanvullen of juist tegenspreken.

De wereld is ondertiteld werd geschreven in opdracht van Kunstfactor en Jeugdtheaterhuis Zuid-Holland.

188 pagina`s
2011
ISBN/EAN: 978-90-78644-25-5
€ 12,-
bestellen via http://www.theaterboek.nl/paginas/boeken/boekpaginas/Ondertiteld.html

woensdag 30 maart 2011

Roem

Na het weekend roem ben ik ingestort. Dit klinkt overdreven dramatisch. Ik ben verkouden geworden. Dat is bij mij altijd heel erg. Ik denk dat ik bij het laatste afscheid mensen gekust heb die griepbacillen bij zich droegen, want in de trein naar huis (want na de roem ga je gewoon met de trein), begon het niezen. Eerst zet het snotteren twee dagen door. Mijn kop zit dicht en dan in de nacht voor de derde dag begint het hoesten omdat de keel te hard moet werken, aangezien de neus potdicht zit. En toch ga ik vanavond luisteren naar de eindversies van de verhalen van mijn cursisten. Ook een geroemd mens kan de andere kant op kuchen met de hand voor de mond.

woensdag 23 maart 2011

Traveling light

Ik heb lang niet geschreven hier. Ik ben verhuisd. Ook al verhuisden we maar één blok, het was een nationale ramp. Wat draagt een mens idioot veel spullen met zich mee en vooral wat verzamelt een mens veel spullen als hij zich niet verplaatst. En dat terwijl mijn cowboy en ik twee jaar geleden ook al verhuisd zijn en van twee grotere huizen in één kleiner huis kwamen. Ik herinner me nog de berg voor de deur van mijn oude huis, waarvoor het grofvuil en de ijzerboer de volgende ochtend zouden komen.

En dan heb ik nog niet eens mijn boeken hoeven verhuizen want die staan op mijn kantoor elders in de stad. Ik heb hier thuis een werkkamer met enkel een bureau en een computer. Ik ben nog steeds niet bekomen, geloof ik.

Bovendien zijn mijn muzen op vakantie, die twee waar ik graag over schrijf. Wel kreeg ik een kaart van ze. Het was een schilderijtje van een ezel. Mijn moeder kreeg voor haar verjaardag een aquarelblocje op ansichtkaartformaat. De ezel is een grapje tussen hen en mij. Ik stuur hen altijd een kaart van een ezel als ik op vakantie ben en dan doe ik net of het hun lievelingsdier is. Dit omdat ik ooit op een vakantie een heel rolletje op mijn vaders fototoestel heb volgeschoten met een kudde ezels die ik zag, waardoor we van die vakantie een album vol ezels hebben. Dus ik kreeg weer eens een ezel van eigen deeg. Mijn moeder schilderde de ezel op haar nieuwe blocje en mijn vader schreef 'iaa' bij de open mond van het dier.

Van de week kreeg ik nog een brief met een open einde. Ze hadden voor het eerst ruzie gehad met de vriendinnen waar ze al 15 jaar mee op vakantie gaan. De brief ging op de post maar de ruzie was nog niet bijgelegd.

donderdag 10 februari 2011

Nachtmerries

Mijn moeder vertelt dat mijn vader nachtmerries heeft en dat hij erg agressief is. Ze denkt dat het de verwerking is van al haar ziektes.
'Ik heb nu weer pijn heel laag in mijn buik, maar ik durf het niet eens meer te zeggen.'
Ze vertelt ook dat er zo erg ingebroken wordt in hun buurt. En dat zij droomde dat ze de inbreker te lijf ging met een hark.
'We hebben zo'n verticuteerhark waar je het gras mee open kan rijten en die gebruik ik dan. Ik haal zijn hele gezicht open en dan gooi ik hem de trap af, doe hem door de voordeur en leg hem in de goot.'
'O, je legt hem helemaal in de goot zelfs?'
Ik zie voor me hoe mijn moeder het toegetakelde lichaam de oprit afsleept.
'Kun je je voorstellen, ik die dat allemaal doe, met mijn zwakke gestel? Ik leg hem daar als voorbeeld voor andere inbrekers. Dan moet ik nog zien of ze nog zo graag komen.'
Ze vertelt dat ze een man tegenkwam op straat. Zij met haar Nordic Walking stokken en hij achter een rollator.
'Daar schuifelen we dan door het leven, meneer', had ze gezegd. En ze vertelt dat ze iedereen die oud is, aanspreekt.
'Ik ga ook bij mensen langs. Mensen waarvan ik weet dat ze eenzaam zijn, omdat ik nu weet wat het is.'
En ze noemt een rijtje namen van mensen waar ze al langs is geweest.
'En ze vinden het allemaal erg leuk dat ik kom.'

dinsdag 8 februari 2011

De woei

Op mijn verjaardag was ik mijn moeder bijna kwijt. De wind gierde op het eiland. Ik kon nog net haar hand vastgrijpen. Even steeg ze op, als een vlieger. De wind rukte haar bijna weg, maar het lukte me haar met beide benen op de grond te krijgen. Omdat de wind alle hersens in de war had gewaaid, had ze niet in de gaten dat ze even gevlogen had.

In de kleding annex meubel annex koffie, gebak en broodjeszaak kwamen we pas echt weer tot onszelf. We dronken koffie en aten scones en gebak en toen soep en brood en we zeiden tegen de jongen die ons bediende dat we de hele dag zouden blijven. Of ze niet ook nog een beddenafdeling hadden, want dan konden we ook nog blijven slapen.

vrijdag 28 januari 2011

Tussen twee huizen

Bovenaan de trap aarzel ik of ik een plank mee zal nemen omdat de plank die vooraan staat en nu aan de beurt is, best groot is en dus zwaar.
*
In de keuken wil ik het raam opmeten om te kijken of die vouwgordijnen van Marktplaats passen, maar ik kan het meetlint nergens vinden, ook niet in de kast waar nu even al het gereedschap ligt.
*
Ik schilder nog één muurtje en begin nog niet aan het plafond omdat ik dat zo bobbelig vind. Misschien moet daar eerst Muurglad op, maar zou dat houden op een plafond?
*
Het resthout van de vloer in ons oude huis ligt hier al lekker te acclimatiseren. Ik leg een hele mooie lange plank bovenop de stapel.
*
Bij iedere deur in huis leg ik een stukje ondervloer en daar bovenop een plank om te kijken welke deuren moeten worden ingekort.

donderdag 27 januari 2011

Nieuwe warmte

Vanaf drie hoog kijk ik naar beneden. Er is een parkeerplaats precies voor de deur en mijn zus manoeuvreert haar veel te grote auto in het kleine vak.
'Mijn zus rijdt heel goed', zeg ik tegen de cowboy die uit het andere raam hangt.
'Wat een slee.'
'Ze wil die auto eigenlijk wegdoen, maar ze vindt hem ook handig omdat ze dan onze ouders kan rondrijden.'
De laatste tijd rijden we onze ouders vooral naar ziekenhuizen en begrafenissen maar vandaag is een leuke dag, want ze komen ons nieuwe huis bekijken. Mijn vader stapt uit de bijrijderstoel. Van bovenaf is hij best kaal. Mijn zus helpt mijn moeder van de achterbank. Als ze allemaal buiten de auto staan, roepen we. Zoekende blikken naar boven en uitgelaten hallo's als ze ons in de lucht ontdekken. Ik ga de deur open doen.

'Hebben wij jou eigenlijk iets beloofd voor het nieuwe huis?' had mijn vader de dag daarvoor geïnformeerd.
'Ja, we hebben een heel leuk kacheltje besteld. Jullie kunnen het alleen nog niet in het echt zien, maar wel op een foto.'

Ik krijg een envelop waarop staat: Een nieuw huis: dus nieuwe warmte uit een prachtig kacheltje. Veel geluk in die koestering! Ik lees het extra mooi voor omdat ik weet dat mijn vader daarvan geniet. Omdat hij het geschreven heeft.

Mijn zus wil behalve op bezoek komen ook nog even wat doen en ze wit een plafonnetje. Voor mijn ouders heb ik wat kranten gekocht en ze zitten zoet te lezen. Ze durven bijna niks te zeggen, want als ik af en toe bij ze kom zitten, lezen ze gewoon verder. Ik plamuur wat gaatjes in hun buurt.

woensdag 5 januari 2011

Helden van de oude dag

Dit blog zou eigenlijk 'Mijn ouders' moeten heten, zo vaak als ik over ze schrijf. Ze zijn op dit moment erg belangrijk voor me. Zij laten mij zien hoe het is om waardig oud te worden. Ze zorgen goed voor elkaar. Het is fijn dat ze elkaar nog hebben. De tia van mijn moeder is mijn vader een beetje teveel geworden. Hij sluit zich af. Dit heb ik van mijn moeder die in verhalen leeft, dus de kern van waarheid moet je er altijd uit filteren.
'Hij voelt een beetje druk op de borst', vertelde mijn moeder gister door de telefoon.
Mijn vader zou nooit uit zichzelf naar de dokter gaan. Bij hem weet je ook niet of het lichamelijk is of een psychische afrekening met het feit dat hij het kwakkelen van mijn moeder allemaal moet doorstaan.
'Hij is een echte Westfries', zegt mijn moeder altijd. 'Die tonen hun gevoelens niet.'
'Dat maakt mij een halve Westfries', zeg ik dan.
'Heb jij dat dan ook?', vraagt mijn moeder ongelovig alsof ik alleen haar genen heb.
'Nou ja, ik heb het dus allebei, me wel goed kunnen uiten en me niet goed kunnen uiten.'
'Dat is niks', zegt mijn moeder en daar heeft ze gelijk in.
'Laat je wel genoeg weten dat je het waardeert dat hij zo goed voor je zorgt', vraag ik.
'Hij doet heel erg zijn best en ik ben alleen maar met mezelf bezig.'
'Gewoon een keer benoemen,' zeg ik. 'Gewoon zeggen: ik waardeer het.'
'Als ik dat zeg, dan wordt ie alleen maar kwaad.'
'Dan zeg je het niet maar laat je het merken.'
'Hoe dan?'
'Jij kent 'm al zestig jaar dus je weet vast wel een manier.'
Er valt een mooie denkstilte.
'Ja, ik denk dat ik wel iets weet', zegt ze dan.

dinsdag 4 januari 2011

Licht uit

Op een avond ging bij mijn moeder het licht uit.
'Net alsof er iemand aan het lichtknopje trok.'
Ze zag nog maar met één oog. Voor haar andere was het grijs.
'Je ziet niet veel hoor met één oog.'
Na een uur trok de mist op en kon ze op slag weer zien.
De oogarts zei dat het pas bij zwart echt ernstig zou zijn geweest maar dat het bij grijs meeviel. De fysiotherapeut vroeg of haar mond ook had getrokken. Nee, alleen het oog, had mijn moeder gezegd. De huisarts tenslotte dacht dat het een tia was en schreef haar aspirine voor.
'Ik ben gelukkig in goede handen.'

De zin 'Net alsof iemand aan het lichtknopje trok' blijft me bij, omdat een man exact die zin zei, in een documentaire over antidepressiva. Bij hem werd zijn depressie hiermee ingeluid. Jarenlange donkerte in zijn hoofd. Hij kreeg elektroshocktherapie en op een dag ging het licht weer aan. Hij was wel heel veel vergeten. Erg moeilijk voor zijn gezin dat zowel goede als slechte herinneringen niet meer met hem kon delen.