woensdag 29 december 2010

Mijn rug is een doffe kerstbal

Mijn rug was naar de gallemiezen. Er zat geen beweging in. Tijdens mijn zoektocht naar een doodeenvoudige naald (die van naald en draad), was ik van een stoepje gestapt dat ik niet gezien had. Waar kocht je vandaag de dag een naald in een wereld waar geen fourniturenwinkels meer bestaan? De Chinese eigenaresse van de winkel die ALLES heette, maar geen naalden verkocht, keek me niet-begrijpend aan. Met terugwerkende kracht verweet ik het verdomde stoepje en de eigenaresse de staat waarin ik nu lag.
'Op de vloer liggen en je benen op een stoel. Dat is het enige wat helpt', zei de huisarts door de telefoon, en daar lag ik.
Op gezette tijden werd ik gevoederd. Operatie mij richting een bord eten keren kon beginnen, en alleen met die draai was ik al een half uur in de weer, laat staan met het nemen van de eerste hap en de happen die volgden. Een baby was hier een stuk bedrevener in. Ik was een uit de kluiten gewassen en stijf exemplaar. De volgende dag strompelde ik in een uur naar de huisarts waar ik gewoonlijk in vijf minuten naartoe gehuppeld was en daar werd een ander soort naald in mijn been gezet. In de dagen die volgden deden de spierverslappers hun werk en las ik, nog altijd liggend op de grond, de beterschapskaart die mijn vader me schreef.
Je moest beter uitkijken, als je loopt. Maar ja, daar heb je nu niks aan, nu je op de grond moet liggen.
En ook schreef hij: De kerstboom staat al. Ik heb één bal aan jou toegewezen, die is nog wat dof. Ik let op hem, of ie al meer gaat glanzen en later zelfs stralen.
Toen ik in staat was hem met droge ogen te bellen om hem te bedanken voor zijn mooie woorden, wist hij niet meer wat hij geschreven had.
'Maar ik schrijf toch meestal wel mooie dingen', zei hij.
Toen ik hem voorlas wat hij geschreven had, zei hij: 'Dat is inderdaad wel erg mooi.'

zaterdag 18 december 2010

Wat heb ik gezien?

Onlangs kwam ik erachter dat ik bijna twintig jaar recht tegenover het Hofnarretje heb gewoond. Jarenlang heb ik vaders en moeders hun kinderen gedag zien zwaaien die met hun neuzen tegen de ramen gedrukt stonden met een hoe-kun-je-mij-dit-aandoen-blik in hun ogen. Weifelende ouders voor de deur die maar bleven zwaaien. Ik kon ze horen denken: doe ik hier wel goed aan? Waarom een baan én een gezin? Personeel dat gebaarde dat de ouders weg moesten gaan, omdat het kind op de arm alleen maar harder huilde zolang ze bleven staan. Moeilijke dilemma's recht tegenover mij. Vanuit mijn huiskamer keek ik op ze neer. Jarenlang zag ik tot laat in de middag ouders met stadsbakfietsen gehaast terugkeren om als laatste hun kind op te halen. Ik heb het personeel de deur op slot zien draaien en in hun auto's zien stappen of zich naar de Albert Heijn op de hoek zien haasten. Ik heb het allemaal vanuit mijn ooghoeken aanschouwd, zonder bijgedachten. Die komen nu pas. Waar heb ik eigenlijk al die jaren naar zitten kijken?

donderdag 9 december 2010

Eénoog

Mijn vader moest naar het ziekenhuis om een stukje huid op zijn rug weg te laten halen. Ik was om 6 uur opgestaan om de trein te halen naar het dorp waar mijn ouders wonen. Hij haalde me op bij het station om meteen door te rijden. We moesten rustig aan doen want het kon heel glad zijn. Samen met andere vroege weggebruikers reden we in colonne richting ziekenhuis.
In de wachtkamer kwam een man langs met een bolstaand wit verband voor zijn oog.
'Die is koning in het land der blinden', fluisterde mijn vader.
Mijn vader werd opgeroepen en verdween in een kamertje. Ik bladerde door interieurglossy's en dronk thee uit mijn thermoskannetje. De koning in het land der blinden kwam naast mij zitten.
'Is uw man ook naar de plastisch chirurg?'
'Mijn vader...is bij...tja, ik weet eigenlijk niet of dat een plastisch chirurg is. Hij moet plekken laten weghalen.'
'Ja, mijn vrouw ook. Hier (...) hier (...) en hier (...),' gebaarde hij naar verschillende plekken op zijn lichaam. Ik kon niet zo goed volgen waar, behalve dat hij als laatste richting schaamstreek wees, waar hij dan de schaamstreek van zijn vrouw mee moest bedoelen.
'Ik heb beneden bij de balie gevraagd of ik gelijk met haar geholpen kan worden.' De cycloop tikte met zijn wijsvinger op zijn ingepakte oog. Het klonk naar plastic onder het verband. 'Maar ik kan pas om half 11.'
'Wat vervelend voor u.'
De man was nogal ongedurig, alweer opgesprongen en de hoek om verdwenen. Ik bestudeerde de inrichting van een Italiaans kasteel en las hoe de muren in de badkamer bewerkt waren met leemstucverf. Een glanzende antracietgrijze muur was het resultaat.
Eénoog schuifelde nog een keer voorbij. 'Is ze er al uit?', vroeg hij. 'Nee, nog niet', zei ik.
'Ik wilde tegelijkertijd geholpen worden, maar ik kan pas om half 11 geholpen worden. Halluf 11. Snapt u dat nou?'
'Vervelend voor u.'