dinsdag 24 mei 2011

Kijken of zien

Ik kijk bijna nooit mensen aan. Ook niet als ik met ze praat. Ik kijk in de lucht of naar beneden of weet ik waar ik naar kijk. In elk geval zoek ik nooit ogen. Toen ik, lang geleden, in Amerika ging studeren, ontving ik een brochure over Het Nieuwe Land waar ik binnenkort heen zou gaan. Er stonden dingen in als: De Amerikaan vraagt altijd hoe het gaat. Dit is een beleefdheidsfrase. Je antwoordt daar niet uitgebreid op. Je zegt gewoon dat het goed gaat, ook al gaat het slecht. Als je een Amerikaan aanspreekt, kijk je hem recht in de ogen. Als je dat niet doet, wordt dat als onbeleefd ervaren.
Dit weekend gaf ik een cursus toneelschrijven en halverwege een les werd ik mij weer eens bewust van mijn oogontwijkend gedrag. Maar tegelijkertijd realiseerde ik me wat ik wel zag. Ik zag waar de verhalen heen moesten. Ik had mijn cursisten even daarvoor een beeld laten opschrijven dat ze bij hun stuk vonden passen, abstract of concreet. Ik had deze opdracht nog nooit gedaan. Ik verzon het ter plekke. Er kwamen hele mooie beelden uit. Een rietstengel die meebuigt met de wind omdat ie anders afbreekt. Een raam dat uitkijkt op een raam aan de overkant. Ze maakten voor mij heel duidelijk waar de stukken over gingen. Die beelden lieten mij dat zien. In mijn hoofd.

vrijdag 13 mei 2011

Jeugdvriend

Zijn moeder bakt zelf brood, maakt zelf jam en boter. Het is haar grote trots. We zitten in de keuken en krijgen een dikke plak, donker, vochtig brood met daarop een laag vlokkige boter en een dikke laag jam. Ze noemt het gebakjes. De boter smaakt altijd een beetje gekkig. Zij vindt het de beste boter van de wereld en ik doe alsof ik het lekker vind omdat gezegd wordt dat het lekker is. Liever at ik alleen het brood met de jam of nog liever alleen de jam, want het brood smaakt zurig, net als de boter. In hun huis ruikt het ook zurig. In de keuken staat een grote karnton op de grijze tegels. Dezelfde tegels als bij ons op de wc met dieren erin. Hier zitten weer andere dieren in.

Mijn jeugdvriend overleed, niet toen onze jeugd nog in volle bloei was, maar veel later. Hij stortte op zijn negentiende in elkaar op het hockeyveld. Mijn moeder vertelde het me toen ik terugkwam van vakantie. Ze drukte me op het hart dat zijn moeder het fijn zou vinden als ik langs zou gaan om met haar te praten over haar zoon. Ik heb het nooit gedaan.

Antoine en ik speelden met barbies, zaten samen in bad en sliepen in één bed. Op een dag belde ik aan, zoals altijd, om te spelen. Zijn moeder deed open en zei: 'Je moet hier maar niet meer komen. Antoine moet meer met jongens gaan spelen.'
Ik deed wat ze vroeg.

woensdag 11 mei 2011

Uitvalsbasis

Het terras ligt dicht bij een druk kruispunt. Ik zit te wachten op de redactrice. Het proletengehalte blijkt hoog op het kruispunt waar vijf wegen samenkomen. Proleet is een woord van mijn moeder. Als zij omver wordt gelopen in de stad, of voor de sokken gereden, krijgt de dader steevast 'Proleet!' naar zijn hoofd geslingerd, waarbij ze nadruk legt op de laatste lettergreep.
Er staat een auto voor het stoplicht met een man van middelbare leeftijd met kaal hoofd. Pompende muziek uit zijn speakers. Als hij groen licht heeft en de bocht neemt rijdt hij bijna twee fietsers ondersteboven. Gescheld van de fietsers. Van het rijdende cliché is alleen nog het wolkje rook uit zijn uitlaat te zien. In de verte komt de redactrice zwaaiend aangelopen.

'Ik zat hier vanmiddag ook al. Het is hier echt een gekkenhuis.'
'Nooit geweten dat dat hier was', zeg ik.
We bestellen koffie.
'Wat ik vaak bij beginnende schrijvers zie, is dat ze alles in dienst van het plot schrijven, terwijl ik gewoon ook wel eens de stilte van een personage zou willen lezen. Wat doet zo iemand als die alleen in een kamer zit? Wat hangt daar aan de muur bijvoorbeeld? Daar mag best een foto van een opa hangen, ook al komt die opa in het hele verhaal niet voor. Een scène die er ogenschijnlijk niet toe doet voor het verhaal, maar die wel heel veel zegt op een ander niveau.'
Ik bedenk wat mijn personages doen als ze zich ongezien wanen.
'Soms weet zo'n schrijver niet eens hoe het huis van zijn personage eruit ziet. Geef zo iemand een uitvalsbasis, denk ik dan.'
'Jij bekommert je om de personages', zeg ik.
'Ja', zegt de redactrice vol vuur. 'Ze hoeven niet alleen maar in dienst van het verhaal te staan. Ik vind dat onmenselijk.'
'Onpersonagelijk.'
'Ja.'
'Jij zou eigenlijk een opvanghuis moeten beginnen voor personages die geen thuis hebben.'
'Ja, eigenlijk wel', zegt ze lachend.
Een vrouw komt bij ons tafeltje staan. Ze heeft haar fiets aan de hand.
'It's my birthday. Do you have some money for me?'
'No sorry', zeggen wij.
Bij het weggaan blijft één van de stoelen die bij ons tafeltje staat achter haar fietstassen haken. De poten van de stoel krassen over de stoeptegels. De vrouw heeft niets in de gaten. Pas bij de tafel van de buren laat de stoel los.