dinsdag 13 december 2016

Peter van Straaten

Ik droomde vannacht een heuse Peter van Straaten. Ik liep met mijn man langs een strandje. Even verderop stonden van die typische vakantiehuisjes die je kon huren met zitjes ervoor. In de verte kwam een echtpaar onze kant op. In de droom was het heel zonnig. Alles was overbelicht. De man die wat achter liep had een fles rosé in de hand. De vrouw liep voorop, langs één van de zitjes en wees naar twee glazen die op een tafeltje stonden. Eén daarvan gevuld met water, de ander met witte wijn. De vrouw gooide eerst het wijnglas leeg en goot toen het water uit het andere glas over en weer in de glazen om ze uit te spoelen. Ook het water belandde op de grond. De man had het plan duidelijk begrepen. En ik had het ook begrepen. Uit die glazen zouden ze de rosé gaan drinken. Ze maakten net aanstalten om verder te lopen, toen er uit één van de huisjes een vrouw kwam, die onmiddellijk wist wat er gaande was. Haar glazen werden gestolen, al waren die eigendom van het huisje. Dat beeld werd stilgezet en werd de Peter van Straaten die ik droomde. Er zou een tekst onder staan als: 'Mijn glazen!' Het schuldbewuste zou duidelijk van twee gezichten zijn af te lezen. De man zou doen alsof hij er niet bij hoorde door zich af te wenden. De vrouw zou het idee hebben dat ze zich er nog uit kon redden, een beetje lacherig. Het is tenslotte vakantie, dan doe je gekke dingen.

dinsdag 3 februari 2015

Dikke vrouwen

Hakim uit Egypte was op weg naar een vrouw uit Irak die in Lelystad woonde. Hij sprak me aan op het perron. De trein kwam en we stapten in en hij vroeg of hij bij me mocht zitten. Hij zette zijn muts af en begon te praten.
Hij had haar via een datingsite ontmoet. Ze had eerst alleen een foto gestuurd zonder haar hoofd erop. Hij liet de foto zien. Ik zei dat wat je kon zien er goed uitzag. Hij had gezegd dat ze elkaar moesten zien en snel. Ze was wel een beetje kattig. Hij was juist heel rustig, hield van zachte muziek; liefst klassiek, zacht praten. Dat klopte, want af en toe kon ik hem moeilijk verstaan en moest ik een beetje voorover leunen. Misschien deed hij het expres.
Als het niet zou klikken met de Irakese, had hij nog een Marokkaanse achter de hand. Nu liet hij een foto zien van de Marokkaanse en haar dochter. Twee prachtige dames lachten me tegemoet. Hakim was een sportman en de vrouw op de foto, had gevraagd of hij van dikke vrouwen hield.
'Ik zeg dat ik een sportman ben en iemand vraagt me of ik van dikke vrouwen hou.'
Ik zei dat ze dan misschien samen konden gaan sporten.
'Ze is een beetje dik hier, vind je niet?' En hij gaf de dikte aan bij zijn eigen heupen.
'Je vertelt me wel veel', zei ik. Ik had nog geen woord gezegd, alleen maar vragen gesteld.
In Almere moest ik eruit.
'Ach, wat jammer.' Hakim had dit niet voorzien.
'Mag ik met jou mee, want op deze manier iemand ontmoeten is eigenlijk veel beter.'
'En dan zou je haar laten zitten in Lelystad?'
'Mijn hart is echt aan het kloppen voor jou', zei hij.
Ik zei dat ik hoopte dat de vrouw die hij straks ging zien dezelfde uitwerking zou hebben.
Ik gaf hem een hand. Hij vroeg of we elkaar nog eens zouden zien. Ik zei dat het lot dat vanzelf zou bepalen en wenste hem veel geluk.

vrijdag 31 januari 2014

Kaartjes bestellen

De Dalai Lama komt naar Nederland. De twee keer dat ik ging, met mijn moeder, was I er ook, samen met T.
Ga jij? vraag ik I op Facebook.
Ja, ik ga reserveren. Kan T niet te pakken krijgen…nu weet ik niet of zij al gereserveerd heeft. Ga jij?
W vindt dit leuk.
Ik denk het wel en doe jij dan het combiticket?
W vindt dit leuk.
Hoe moet je die stoelen nou reserveren???
W vindt dit leuk.
Op die puntjes klikken, eerst eentje en dan nog eentje. Ik heb nu twee stoelen gereserveerd op rij 17, 2e ring, stoel 1 en 2. Als jij nou stoel 3 en 4 doet, tenzij je helemaal vooraan wilt zitten. Ingang West. Vak H.
Ik ga het proberen.
Ik kan nu niks, zit in de wachtmodus, maar ik heb geduld. Of zou je aan de zijkant beter zitten?
Als ik die stoelen aanklik, krijg ik een zwart kaartje met wat voor stoel het is en zo en dan kan ik niets meer, ik kan niet zeggen ok doe die maar. Hoe heb jij dat gedaan? Zijkant is wel fijn denk ik.
Oeps, heb mijn reservering volgens mij weggeslikt. Geklikt.
Maar hoe kreeg je hem überhaupt???
Zal ik stoelen voor jou reserveren?
Ja lukt dat, ik maak meteen geld over.
Ik doe kaarten van 35 euro, is dat goed?, vak GK, mijn initialen, aan de zijkant, zie je het volgens mij goed. Akkoord?
Doen! Combiticket toch? Ochtend en middag?
Yep.
Super. O wat leuk!
Nou zeggen ze dat er mogelijk beperkt zicht is, maar wat zit er dan voor want het lijkt juist vrij zicht.
Misschien staat Erica Terpstra precies voor dat vak hahaha.
Vind ik leuk.
Misschien nog even verder kijken? Bij mij lukt het helemaal niet. Ik kan geen kaarten aanklikken. Heb jij Chrome?
Hahahaha, zal ik het doen of moet ik nog verder zoeken, een vakje naar links. Ja ik heb chrome.
Doe maar iets naar links. Ik weet het al. Je ziet het scherm daar niet goed.
Ok, ik ga iets naar links.
Het mag ook duurder hoor. Wacht nu lukt het mij ook. Voor 60 euro kun je wel beter zitten of vind je dat te duur? Ik krijg nu vak Ae rij 3.
Ticketmasters zijn we.
Super.

maandag 19 augustus 2013

Hoe de wereld verhertte

Ik was het eerste hert dat kon vliegen. Ik had een hertengezicht. Ik dacht als een hert en er waren vleugels uit mijn schouders gegroeid, van de ene dag op de andere. Ik had spierpijn van het vliegen, omdat ik nog moest wennen. Het mooie was dat ik over de oceaan kon vliegen en dat ik ontdekte dat die in het midden, ver op zee, totaal bewegingsloos lag, met spiegelglad wateroppervlak. Daardoor kon ik zien dat ik een witte buik had met kleine witte krulletjes in de vacht. Niks was fijner om mijn eigen buik te bewonderen in die stilte. Andere vliegende herten vonden dat ook. Ik was al snel niet meer de enige en met velen vlogen we in stilte. En terwijl mijn vriendjes en ik onze witte buiken in het gladgestreken oceaanoppervlak bekeken, was de wereld aan het verherten. Overal verschenen hertenvleugels op schouders van mensen. Onder een boom stond een man hout te hakken. Er werd ingezoomd op zijn schouder en krakend verscheen daar het beginsel van een vleugel, de botjes zacht en aaibaar als een hertengewei, met bruinkleurig vlies ertussen. Deze transformatie vond plaats in Dolby Surround, zoals in de bioscoop waardoor je over je schouder kijkt omdat het geluid daar vandaan komt en niet van het scherm. Een vrouw die haar gevallen schoudertas opraapte, kreeg vleugels. Deze beginnende herten moesten nog wachten tot hun vleugels uitgegroeid waren tot zeewaardige vleugels. En dan pas kon het echte werk beginnen.

dinsdag 4 juni 2013

Niks blogwaardigs

Er was al die tijd niks blogswaardigs te melden. Ik weet niet waar 'm dat in zit. Het blogwaardige bedoel ik. Ik ben gepreoccupeerd met persoonlijke zaken, vertel ik mensen. En daar laat ik het bij. Ik ben geen open boek en praat niet graag over mezelf, met vrijwel niemand. Hoewel ik geen moeite heb gênante gebeurtenissen uit mijn leven te vertellen, moeten ze eerst een verhaal geworden zijn. Zo herinner ik me, terwijl ik dit schrijf van dat open boek, dat ik een romantisch dingetje had met mijn toneelleraar toen ik jong was. Dat was niet op school, maar op een cursus. Ik fietste elke week helemaal naar het nabijgelegen dorp om drie uur toneelles te volgen in een barak ergens op een industrieterrein.
Een keer had hij me alleen bij hem thuis uitgenodigd toen hij het zei: 'Jij bent ook geen open boek.'
Hij zei het terwijl hij mijn lichaam streelde. Heel gewichtig vond ik het en werd ter plekke meer en meer mysterie. Mijn karakter was niet aan mij af te lezen. Hij moet zeker tegen de dertig zijn geweest terwijl ik zestien was. Hij kwam zelfs op mijn verjaardag en zat tussen alle tieners. Daar liet hij duidelijk zijn bewondering voor mijn oudere zus blijken. En dat vond ik weer heel stom. Dit was geen jaloezie of misschien ook wel als ik het dieper analyseer.
Die toneelleraar was wel een open boek. Toen ik dat jaar werd aangenomen op de toneelschool, kon hij daar niet over uit. Hij had mij jaren les gegeven maar nu hij echt iemand naar de toneelschool had geholpen, verbleekte zijn eigen carrière blijkbaar en bleef er niets dan afgunst over.
Ik hield laatst een lezing ergens, en kwam iemand tegen die gelijk met mij auditie deed op een andere opleiding, lang geleden. Ik werd aangenomen, hij niet. Daar ging het gesprek eerst over. Toen zei hij iets over mijn lezing.
'Ik zag je daar zo staan op dat toneel en je hebt nog steeds dat lichtvoetige. Dat had je toen ook al, dat lichtvoetige.'
Ik moet eerlijk bekennen dat ik niet weet of hij nou lichtzinnig of lichtvoetig zei. Dat maakt wel verschil. Ik vind lichtvoetig een mooier woord, dus laat ik hem dat zeggen. Als hij zei dat ik lichtzinnig ben, wordt hij toch meer iemand die mijn gedrag op zichzelf betrekt. Of word ik ineens wél een open boek. Mijn moeder zei vroeger dat ik licht ontvlambaar was. Maar ik vraag me eerder af of ik niet juist anderen met gemak doe ontvlammen in liefde, in woede of in afgunst.

maandag 21 januari 2013

De glasbakman

Als ik de hoek om kom, vangt hij onmiddellijk mijn blik. Hij zoekt houvast met zijn ogen. Het is nog ongeveer honderd meter tot ik bij hem ben, dus ik kijk naar de grond, want het is glad. In zijn buurt houd ik stil. Hij heeft mij al ruimschoots van tevoren aangeklampt. Zijn grote wagen staat half op de stoep. De bovenkant van de aanhanger staat al opengeklapt naar de hemel, klaar om te ontvangen. Straks zal hij de glasbak uit de grond omhoog takelen en het glas in zijn container laten kletteren.
'Ik ben net zo geschrokken van een sneeuwbal tegen mijn ruit.'
'O jee', zeg ik.
'Ik sta helemaal na te trillen.'
Zijn oordoppen hangen rond zijn nek. Die heeft hij nog niet opgezet. Het is een enorme kerel in een gewatteerd skipak.
'Nou, kom even bij', zeg ik en ik maak een gebaar in zijn richting alsof ik even geruststellend mijn hand op zijn arm wil leggen.
'Die kinderen weten niet beter natuurlijk, want het was meer een ijsbal. Dat krijg je nu hè. Het was zo hard. Ik ben me echt rot geschrokken.'
'Het is voor die kinderen natuurlijk het leukste wat er is.'
Ik zie de gedachte aan het plezier van de kinderen in zijn ogen. Die lichten even op.
'Je moet het ook niet verbieden natuurlijk. Dat zeg ik ook niet.'
Ik moet denken aan een artikel dat ik las over het verbieden van sneeuwballen gooien, maar dat was omdat een moeder had geklaagd nadat haar zoontje op gruwelijke wijze was ingepeperd.
'Maar dat ik daar toch zo van schrik.'
Dat lijkt hem nog het meeste te verbazen. Het helpt dat hij het allemaal even op een rijtje zet. Ik bedenk wat er allemaal thuis bij hem aan de hand kan zijn en hoe hij, in gedachten verzonken, van de ene glasbak naar deze hier in de straat reed.
'Het was daar bij het viaduct. Je schrikt je dood.'
Als ik denk dat hij rustig is, leg ik wel even mijn hand op zijn arm, zo licht dat hij nooit zeker zal weten of het echt gebeurde.


donderdag 11 oktober 2012

Iedereen heeft hetzelfde

De podotherapeut die ik vandaag bezocht, leek sprekend op een bevriende acteur. Door zijn jovialiteit en mijn verwarring over de gelijkenis, deden we beiden of we oude vrienden waren.
Hij wist onmiddellijk wat ik mankeerde.
'Zal ik mijn klacht vertellen?', vroeg ik, maar dat was niet nodig want iedereen die bij hem kwam, had hetzelfde: losse spierbanden. Steeds meer mensen hadden dat.
'Losse spierbanden zijn genetisch sterker dan stevige, dus als één ouder losse spierbanden heeft, geheid dat het kind juist die banden erft. Dus reken maar uit. Straks heeft iedereen het. In die zin heb ik een saai vak, maar wel volop werk.'
Ik had nog altijd mijn laarzen aan. Met zijn handen, alsof het voeten waren, verbeeldde hij hoe het met mijn grote tenen gesteld was.
'Ik heb het idee dat mijn onderbenen steeds krommer worden', zei ik. 'Kan dat?'
'Als jij vandaag niet hier was gekomen, had jij op je 92e zo gelopen', en hij deed voor hoe ik als hoogbejaarde zou lopen als ik nooit naar een podotherapeut zou zijn gegaan.
'Zie je ze nooit lopen, de oude vrouwtjes in Spanje?'
Ik was al jaren niet op vakantie geweest. Ik zag vooral mezelf. De bevriende acteur en de acterende podotherapeut overlapten elkaar nu naadloos en ik werd meegesleurd door de vertolking van mij als oude vrouw die nooit in haar leven een podotherapeut zag. En net zoals ik altijd verliefd word op de acteurs in mijn stukken, werd ik op slag verliefd op de podotherapeut en leefde mee met de oude vrouw die hem nooit zou gaan ontmoeten. Het ergste waren de kromme beentjes die hij haar gaf. Ze hadden kennelijk geen podotherapie in Spanje.
'Jij bent mijn redding', zei ik.
'Laat nu die voetjes maar eens zien', zei hij eindelijk en ik mocht mijn voeten bevrijden en ze op de behandelbank leggen.
'Dat zijn een stel mooie voetjes.' Hij bewoog mijn grote tenen ruw op en neer ten opzichte van de tweede teen. Hij vergeleek beide voeten.
'Zie je wat een ruimte daar zit.'
Ik zag niks maar het deed wel helse pijn.
'Heb je al lang klachten?'
'In het algemeen?', vroeg ik.
Ik vertelde dat ik van een stapelbed gevallen was toen ik één was en dat ik altijd in de gaten gehouden werd of het allemaal wel goed met mij kwam. En dat ik altijd al raar gelopen had, met zwabberende voeten.
'Maar het is toch goed gekomen.'
'Tot vandaag', zei ik.
Er werden afdrukken van mijn voeten gemaakt.
'Je mag al je kleren weer aantrekken', zei hij, teleurgesteld, omdat het alleen voeten waren die hij de hele dag bloot zag.
'Over twee weken zijn ze klaar, je zooltjes. Neem zoveel mogelijk verschillende schoenen mee en dan gaan we leren lopen.'

woensdag 27 juni 2012

Alleen

Mijn moeder voelt zich eenzaam en ontredderd, zeggen de artsen in het ziekenhuis. Vooral als ze alleen in een kamer is en er niemand om haar heen is. Dan doet haar leven er niet zoveel meer toe. Zolang mensen zich met haar bezighouden, is ze vrolijk. Altijd een gezelschapsdier geweest, mijn moeder. Ze is vijf dagen in het ziekenhuis geweest voor onderzoek. We hebben haar beloofd dat dit de laatste keer zal zijn. Ze vindt het heerlijk om weer naar huis te gaan. Mijn vader is de kwiekste van ons. Ik ben vorige week door mijn enkel gegaan. Mijn vader duwt de rolstoel en de dochter strompelt achter hem aan. Vroeger als we in het bos wandelden, hield hij zijn handen gevouwen op zijn rug. Ik deed hem dat na. Er zijn foto's van een lange dunne vader op de rug gezien en daarachter een klein blond meisje met de handjes gevouwen op haar rug. Mijn moeder heeft dat vastgelegd, talloze keren. Mijn vader deed altijd alsof we verdwaald waren in het bos en begon dan hardop te fantaseren wat we allemaal zouden moeten doen om te overleven.
Als we thuis zijn, gaat mijn vader boodschappen doen. En hij moet ook nog een rolstoel gaan halen, zodat we naar het strand kunnen want ze kan nog maar kleine eindjes lopen. Ik schrijf in het schrift wat er allemaal besproken is in het ziekenhuis. 
Mijn moeder is stil en ik ben ook niet erg spraakzaam nu ik schrijf. Als ik naar haar kijk, zie ik dat haar ogen dichtvallen. Ik vraag of ze moe is.
'Ja, dat ik toch steeds zo moe ben hè', zegt ze.
'Vind je de tuin niet prachtig?', vraag ik.
'Prachtig ja.'
Ze kijkt de tuin in alsof ze iets zoekt. Als het een tijdje stil is, vallen haar ogen weer dicht.
'Mam, neem maar een slokje van je thee', zeg ik.
'O ja', en ze tilt het kopje op en blaast in de koude thee. 
'Ik denk dat ik maar weer even ga liggen.'
'Dat is goed, mam, dan roep ik je zo weer.'
'Vind je het niet ongezellig?', vraagt ze.
'Nee hoor, ga maar lekker even liggen. Lukt het alleen?'
Even later kijk ik om het hoekje en zie haar liggen op de bank. Ze heeft haar schoenen uitgetrokken. Na ongeveer tien minuten komt ze alweer met haar rollator naar haar stoel gelopen. Ze heeft haar schoenen weer aan.
'Lekker geslapen, mam?'
'Heerlijk.'
'Zullen we even gaan wandelen?'
'Ik geloof niet dat ik daar zin in heb.'
Ik weet van de buurvrouw die iedere dag met haar wandelt, dat je haar gewoon moet overhalen.
'Ik denk wel dat het goed is hoor.'
'Zou je denken?'
'We kunnen het proberen en zien wel hoever we komen. Ik ga zelf ook niet al te snel. Ik ga je jas wel even halen.'
Ik trek haar jas aan en we gaan via de garage de oprit af, het straatje in. Ik voel de ogen van de buurvrouw mijn initiatief goedkeuren. Mijn moeder loopt voorover gebogen en is kortademig.
'Rechtop, doe maar of je aan een draadje wordt opgetrokken', zeg ik.
Na iedere twee stappen staat ze stil. Ik pluk een bloemetje van een struik in de tuin van de overburen en houd het voor haar neus.
'Lekker', zegt ze. Ik bedenk dat aromatherapie wel iets voor haar zou zijn. Prikkeling van de zintuigen om haar eenzaamheid te lijf te gaan.
Die middag laat ik haar de aardappels schillen. We moeten haar meer betrekken in het dagelijkse leven. Ik pak de mand met aardappels, leg de dunschiller erin en het aardappelmesje voor de pitten. Precies zoals ik me herinner dat ze het vroeger deed. Ik zet een pan water op het tafeltje naast haar, om ze in te doen. Terwijl ik de boontjes dop, de zalm zout en een salade maak, zie ik haar verbeten schillen, met de tong uit haar mond. Haar fanatisme heeft ze nog.
Als mijn vader thuiskomt, laat ik hem trots de aardappels zien.
'Kijk, heeft mamma geschild.'
'Echt waar? Heb jij die geschild?', vraagt hij mijn moeder.
'Welnee', zegt ze.

vrijdag 8 juni 2012

De godverdommes

Ik zat vanmorgen vroeg in de tram te genieten van een jong hondje, laag op de pootjes, met te grote oren voor de rest van zijn lijf. Het meisje dat het hondje aan de lijn had, lachte trots naar me. We zaten achterin en elke keer als bij de halte mensen voor de deur stonden om eruit te gaan, snuffelde het hondje voorzichtig aan hun schoenen, leren tassen en bij een meisje aan de bontjes van haar laarzen. Daar moest ik om lachen. Zijn staart hing plat en loodrecht achter zijn lijf naar beneden en reikte tot de grond. Als de deur open was en de mensen naar buiten, dan gooide het hondje zijn neus in de wind alsof hij die op wilde vangen. Dan ging de schuifdeur hortend en stotend dicht en deinsde hij achteruit, viel eerst van schrik op zijn kont en ging dan naar het baasje om aangehaald te worden.
'Goed zo', zei het meisje dan. Zo ging het een paar haltes.
'Dit is zijn eerste keer in de tram', zei het meisje.
'Hij probeert alles te begrijpen, maar het is natuurlijk onbegrijpelijk wat hier gebeurt', zei ik.
Ik zat helemaal in de wereld van het hondje. De geluiden, de schuifdeur, het hekje, het piepen van de ov-chipkaarten. Alles vanuit het perspectief van die hond.

Op de Marnixstraat werd omgeroepen dat er een ongeluk gebeurd was en dat de tram door zou rijden tot het Haarlemmerplein, maar ik moest naar Centraal station. Dus ik stapte uit om de bus te nemen. De tram reed door en ik zwaaide naar het meisje dat wel verder ging. Ik dacht aan het hondje dat mij nu niet kon zien.

Een groot deel van de mensen stapte over op de bus die achter de tram was aangesloten. Een vrouw voorin was erg opgefokt en zei wel drie keer godverdomme. De bus reed een stukje en stopte 30 meter verder op de halte nog een keer. Een oude vrouw stapte in en dat ging nogal traag.
'Ja, jezus mens', zei de opgefokte vrouw tegen haar.
Ze zei het echt en ik stond op het punt er iets van te zeggen, toen de oude vrouw zei: 'Ach ja, ik heb ook maar één leven.'
Ik moest daar even over nadenken maar ik vond dat ze zich daarmee goed verweerd had tegen de opgefokte vrouw. Ik zag de oude vrouw letterlijk dat ene leven op haar rug torsen, zich daar constant voor verontschuldigend.
De bus werd voller en voller en bij elke halte hoorde ik een godverdomme en wist ik precies waar de opgefokte vrouw zich in de bus bevond. Tot ze bij de Dam uitstapte.

Vlak voor Centraal stond er een man naast me. We stonden stil voor de laatste kruising.
'Godverdomme', zei de man, 'waarom staan we stil?'
Ik zag een schoolklas kindertjes het zebrapad oversteken.
'We kunnen ook gewoon op die kinderen inrijden', zei ik tegen hem.
Hij wendde zich af. Buiten regende het pijpenstelen.

zaterdag 19 mei 2012

Wat eten we?

Mijn ouders eten te weinig groenten. Het is een grote zorg. Sinds mijn moeder terug is uit het ziekenhuis moet ze goed eten want ze had veel tekorten. Mijn moeder kookt niet meer terwijl zij altijd van het gezonde eten was. Twee keer per week vette vis, gember door de dagelijkse sla, goede vetten, veel groene bladgroenten. Mijn moeder is een groente- en vismens. Mijn vader een vleesmens.
'Als ik vroeger thuiskwam en ik vroeg wat we aten, zei je moeder: spruitjes. En dan zei ik: nee, wat voor vlees eten we?' vertelt mijn vader. Hij krijgt geen medestanders.
'Precies, een groentemens dus', zeggen wij.
Die voorliefde voor groente hebben wij van haar. Mijn zus wordt in haar gezin het konijn genoemd, omdat zij altijd de overgebleven restjes sla en groenten opeet.
Mijn vader kookt nu. Feitelijk haalt hij maaltijden bij de slager, stamppotten, lasagne, nasi. Toen mijn moeder thuiskwam uit het ziekenhuis hebben we hem op het hart gedrukt dat daar groenten bij moeten. Eerst hebben we tafeltje-dekje aan de man proberen te brengen, omdat daar tenminste groenten bij zitten, maar mijn vader is faliekant tegen tafeltje-dekje. Toen hebben we geprobeerd bakjes gesneden groenten in de ijskast te zetten voor een paar dagen zodat hij ze alleen nog hoeft te koken, maar de bakjes blijven staan.
'Ik kom om in de groente', zegt hij. Laatst had hij twee dagen achter elkaar mijn moeder alleen maar groente gegeven. 'Met een likje van die paté die ik nog had', zegt hij. 'Toen ik haar de dag erop vroeg: wil je vandaag weer groente? zei ze dat ze daar niet zo'n trek in had', zegt hij alsof hij daarmee ons ongelijk met die groente bewezen heeft.
'Alleen maar groente met een likje paté lijkt mij ook niet erg lekker', zeg ik. Niks mee aan te vangen, die man. Ze bestaan echt, de mensen die niet zien uit welke componenten een bord eten moet bestaan. Als wij er zijn, maken we een visje voor mijn moeder met twee soorten groenten en een salade en aardappeltjes en dan zit ze heerlijk te smullen. Als mijn moeder naar de dagopvang is en mijn vader alleen moet eten, eet hij een stuk lasagne of nasi met een satéstokje. Hij haalt het uit de vriezer en stopt het in de magnetron.
'Daar kan ook groente bij', probeer ik.
'Voor mij hoeft daar geen groente bij', zegt hij.
Dat mijn vader geen groente eet, zal ons inmiddels worst wezen. Mijn vader is zo sterk als een eik. Wij komen op voor onze moeder. Dus kookt iedereen nu een paar extra maaltijden die in zijn geheel opgewarmd kunnen worden.

vrijdag 4 mei 2012

Andere wereld

Mijn moeder is tijdelijk opgenomen in het ziekenhuis. Ze verblijft twee weken op de afdeling geriatrie. Dat is de afdeling met de deur die alleen opengaat als je je het huidige jaartal weet te herinneren. Mijn moeder zegt dat het lijkt alsof wij uit een andere wereld komen. Ik vraag haar naar haar wereld.
'Ik ben gewoon hier', zegt ze.
Er speelt een pianist in de huiskamer. Für Elise. En daarna Schubert. Mijn vader zingt Die Forelle mee met hoge tenorstem, terwijl hij altijd bariton zong in het koor. Mijn moeder kijkt vol bewondering naar hem. De andere bewoners hebben geen bezoek. Wij worden gedeeld met alle bewoners op de afdeling.
'Jullie kunnen koffie of thee pakken als jullie willen', zegt een man gastvrij en wijst naar het aanrecht achter ons.
Ik schenk koffie voor ons in. Mijn vader geeft mijn moeder de overlijdenskaart van de zus van mijn zwager. Er staat een portret van haar op de voorkant en de man naast mijn moeder zegt: 'Ik heb het idee dat ik die vrouw ken.'
Hoewel ik op deze afdeling geneigd ben te denken dat hij iedere foto zou herkennen, blijkt hij de zus van mijn zwager echt te kennen. Deze man is pater in een klooster en de zus van mijn zwager kwam daar vaak naar de dienst. De pater is 92 jaar. Ik schaam me voor mijn geheime gedachten.
'Ik vind het zo vreemd dat ik hier nu met jullie zit', zegt mijn moeder.
Ik kijk naar de enorme boom die buiten voor het raam staat. De pianist speelt verder en we applaudisseren na ieder lied. Hij doet dit vrijwillig, iedere drie weken.
'Ik hoop niet dat ik jullie nog zie', zegt hij bij het afscheid, 'want dat zou betekenen dat jullie hier nog lang moeten blijven.'
Mijn moeder wijst naar hem en zegt: 'Dat vind ik zó'n lelijk ding.'
De pianist grijpt naar zijn kleren ter hoogte van waar mijn moeder wijst en zegt: 'Wat? Mijn trui?'
'Nee, nee,' zegt ze, 'die klok achter u. Foeilelijk.'
De pianist zet een stap opzij en we kijken naar de spuuglelijke klok. Mijn vader verschuift zijn stoel.
'Ik ga er wel even voor zitten', zegt hij.

donderdag 19 april 2012

Sentimental journey

Een cursiste van mij heeft een paar weken geleden haar man verloren. Vrij snel na de begrafenis kwam ze dapper terug. Haar man bracht haar altijd weg en wachtte dan in een kroegje op de hoek. Ze moesten helemaal uit Alphen aan de Rijn komen. Hij was een ras-Amsterdammer en werkte vroeger in het gebouw waar ik lesgeef. In tijden dat het nog een pakhuis was. Hij vond het leuk om haar weg te brengen, want dan kon hij weer effe de sfeer proeven. Zij is slecht ter been en moet in het gebouw met de lift naar boven komen. In de korte tijd dat ze afwezig was, de periode waarin wij haar als cursusgenoten een condoléancekaart stuurden, hoorde ik dat hij ook invalide was en ze van Alpen aan de Rijn naar Amsterdam kwamen in zo'n wagentje dat maar 45 kilometer per uur kan. Ik zag ze gaan over de provinciale wegen en ik zag hem haar afzetten in de schaduw van het grote gebouw. Ik heb hem nooit gezien of gesproken maar hij leefde voor ons. Hij was deel van de cursus geworden. Nu komt de cursiste met het openbaar vervoer en krijgt dan op de terugweg 'een slinger', zoals ze dat noemt van een medecursist. Gisteravond was de medecursist ziek en had ik haar gemaild dat ik haar na afloop die slinger zou geven. Mijn vriend haalde ons op na de cursus en we reden naar Schiphol waar de interliners naar Alphen aan de Rijn vertrekken. We reden naar boven waar we naar beneden hadden gemoeten en we zagen de interliners in de diepte staan.
'Dan ga ik weer met de lift naar beneden', zei de cursiste. 'Dat heb ik de vorige keer ook gedaan.'
We zetten haar af bij de vertrekhal en we zagen haar met haar stok over het zebrapad richting lift verdwijnen.
'Zetten we iemand af op Schiphol die naar Alphen aan de Rijn moet', zei mijn vriend. 'En die komen allemaal bij jou op cursus.'

woensdag 14 maart 2012

Begraven als de Etrusken

Mijn zus vertelt dat onze vader heel erg van de Etrusken houdt. Dat hij zelfs begraven wil worden als de Etrusken.
'Wat een bijzondere vader hebben wij toch,' zeg ik. 'Ik wist dit niet.'
'Er is een afbeelding van een man die in het diepe springt en dat wil hij aan de binnenkant van de deksel van zijn kist geschilderd hebben.'
'Nou ja', zeg ik vol ongeloof. 'Dat is nou precies waar hij zo bang voor is: in het diepe springen.'
'Die springende man begeleidt je bij de oversteek van de rivier, om je goed en wel naar de overkant te brengen.'
Ik heb bijna tranen in mijn ogen, zo mooi vind ik het en ik zie de schildering voor me en mijn vader als oude Etrusk in een kist dobberend op de rivier en hoe hij veilig en wel aankomt in het land der doden.

Die dag nog google ik Etrusken en ik zie dat er een tentoonstelling is t/m aanstaande zondag in het Allard Pierson. Ik bel hem meteen op.
'Omdat jij zo van de Etrusken houdt, wil ik graag met jou naar die tentoonstelling.'
Hij kan zich niet goed herinneren dat hij gek is op Etrusken, maar hij vindt het wel leuk dat ik iets met hem wil ondernemen. Hij pakt de agenda erbij.
'Donderdag kan ik niet want dan moet ik voor mijn schouder naar de fysio, want ik heb iets aan mijn schouder en vrijdag komt de dokter voor mamma. Zaterdag komt de tuinman en zondag gaan wij al samen naar een feestje.'
Het leven neemt de dagen in beslag en er is geen tijd om met mijn vader zijn Etruskensnaar te ontdekken.

vrijdag 3 februari 2012

De laptopdokter

De laptop doet niks meer. En dat is lastig voor als ik uit schrijven wil. Al jarenlang fiets ik langs de Mac Care in de straat waar mijn zus woont. Nog nooit ging ik er binnen. Nu wel. De deur wordt van binnenuit open geklikt. Het is een beveiligde deur. Ik leg de laptop op de toonbank.
'Hij doet helemaal niks meer', zeg ik.
'Dat klinkt als de harde schijf', zegt de jongen.
'Zou kunnen', zeg ik wijs.
Ik moet mijn gegevens intikken op een computer. Een vrouw naast me staat in mij weg te dromen. Ik betrap haar. Ik glimlach eerder dan zij. Zij verdiept zich in het espresso-apparaat dat bij de ingang staat.
'Ik ben ingevoerd', zeg ik tegen de jongen als ik op 'gereed' heb gedrukt.
'Heb je een back-up gemaakt van je bestanden?'
'Nee', zeg ik zo nonchalant mogelijk. 'Ik heb altijd zoiets van, nou ja, dat is dan maar zo als dat weg is.'
'We kunnen kijken of we het terug kunnen halen', zegt de jongen. 'Dat kan een paar uur duren of drie dagen, om de gegevens eraf te halen.'
Achter hem zie ik allemaal vakjes met laptops als de mijne. Ze staan rechtop als boeken, aangelijnd. Digitale geheugens die worden afgetapt.
'Er moet een nieuwe harde schijf in.'
'Oké', zeg ik.
'We bellen je nog of het lukt met het terughalen van de bestanden en hoe moeilijk dat wordt.'
Mijn laptop krijgt een sticker, die hij eerst op zijn trui voorplakt en dan pas op het witte plastic. Om hem minder vast te laten plakken, denk ik. Nu de pluisjes van zijn trui ertussen zitten.
Ik krijg de met mijn laptop corresponderende bon mee naar huis.
'Dus jullie bellen mij?'
'Wij bellen jou.'

vrijdag 27 januari 2012

Vogels met een k

Mijn moeder en ik gaan een ochtend op proef naar de dagverzorging in het bejaardentehuis van hun dorp. Om te kijken of het iets voor haar is. Mijn moeder wil graag iets omhanden hebben en wij merken dat ze zich beter voelt als ze onder de mensen is. Van tevoren heb ik contact gehad met de vaste begeleidster en afgesproken dat we vandaag op de koffie komen, om kennis te maken met de groep en de begeleidsters. Wij mogen plaatsnemen aan het hoofd van de tafel. De mensen druppelen binnen achter rollators, met stokken en een enkeling in een rolstoel. Mijn moeder fluistert in mijn oor: 'Dat je hier dan ineens bij hoort.'
De aanwezigen hier zijn geen bewoners van het bejaardentehuis. Ze wonen allemaal nog zelfstandig en zijn allemaal van huis opgehaald door de chauffeur en komen hier één, twee of drie dagen in de week. Er is nóg een mevrouw die voor het eerst komt vandaag. We worden voorgesteld aan de groep.
'Kom maar gewoon hoor, het is hier hartstikke gezellig', zegt iemand.
'Kunt u rummikuppen?', vraagt de man die naast mijn moeder zit.
'Liever niet,' zegt mijn moeder alsof ze net door een vreemde mee uit eten is gevraagd.
'Anders konden we vanmiddag rummikuppen', legt de man uit, maar de begeleidster zegt dat wij alleen op de koffie komen en niet tot de middag blijven.
'O jammer', zegt de man.

Mevrouw Konijn is de oudste. Ze heeft als kind in het Maagdenhuis op het Spui gewoond, toen een weeshuis voor meisjes. Bij de nonnen.
'Zusters van de liefde. Krengen van barmhartigheid', roepen mevrouw Konijn en mijn moeder in koor.
'We kwamen altijd voor elkaar op, want van die nonnen moest je het niet hebben', vertelt mevrouw Konijn. 'Dat waren me toch een krengen.'
'Die nonnen waren verschrikkelijk', beaamt mijn moeder.
Ik kan de nonnenverhalen van mijn moeder dromen.

We gaan geheugenspelletjes doen.
'Vogels met een K', zegt de begeleidster.
'Kakatoe', opent mijn moeder het spel.
'Heel goed', zegt de begeleidster.
'Kaneelvogel', zegt een man vanaf de overkant van de tafel.
'Ik weet niet zeker of die bestaat, meneer Geesink, maar poëtisch is het wel', zegt de begeleidster.
'Ik meen er wel eens van gehoord te hebben', zegt meneer Geesink.
'Kakatoe', zegt de buurman van mijn moeder.
'Dat zei ik al', zegt mijn moeder.
De begeleidster legt mijn moeder uit dat haar buurman een beetje doof is en het waarschijnlijk niet gehoord heeft.
'Toch zei ik het', zegt mijn moeder, alsof de spelleiders de stand niet eerlijk bijhouden. Bloedfanatiek is ze.
Na de vogels moeten we gewone dieren bedenken die beginnen met een K. Het blijft een tijdje stil.
'Mevrouw Konijn?', zegt de begeleidster.
'Koe', zegt mevrouw Konijn.
'Konijn', zegt iemand anders.
'Ach ja, natuurlijk', zucht mevrouw Konijn.
We doen nog de waddeneilanden, hoofdsteden van landen en provincies, hondenrassen en paardenrassen (het onderdeel waarmee ik iedereen van tafel veeg). Voor de lunch nemen we afscheid. Ik zeg tegen mijn moeder dat we het thuis wel even zullen bespreken, maar ze is zó enthousiast. Ze wil het liefste volgende week beginnen.

Inmiddels gaat mijn moeder iedere week. Laatst vroeg ik of ze het leuk vond.
'Ik kom altijd met hoofdpijn thuis van het denken, want ze laten je echt nadenken.'
'En mevrouw Konijn? Is die er ook nog?'
'O, dat weet ik niet.'
'Dat was die wees die in het Maagdenhuis heeft gewoond.''
'Ja, er is wel een wees bij. Die is tweeënnegentig. Waar zou je nou anders een wees van tweeënnegentig ontmoeten?'

maandag 16 januari 2012

Mijn glimlach

Ik ben zojuist uitgescholden door een vrouw in de Hema en waarom? Omdat ik naar haar glimlachte. Ik deed dat niet bewust, maar zij wees mij erop. Ze stond in de rij voor mij en had zojuist afgerekend. Nu was ik aan de beurt en terwijl ik mijn pincode stond in te toetsen, kwam ze terug naast me staan en vroeg: 'Moet u soms lachen om mijn flesje wijn?'
Ik zei dat dit niet het geval was. Ze vroeg waarom ik dan zo moest lachen. Ze nam het nogal hoog op. Ik probeerde mij eruit te redden door te zeggen dat ik graag lachte. Maar daar trapte ze niet in.
'Jaja', zei ze. 'U heeft gelachen om mijn flesje wijn, maar ik woon hier al 28 jaar en ik mag drinken wat ik wil.'
Dit gesprek nam een hele rare wending en ik zei dat ik helemaal niet gezien had wat ze gekocht had.
'Nog liegen ook.' En daar had ze gelijk in. Ik had wel degelijk gezien dat ze een half flesje wijn gekocht had, maar er niks van gevonden. En ik begon me nu ook ernstig af te vragen waarom ik naar haar geglimlacht had. Je kunt niet zomaar naar iemand glimlachen want je krijgt de wind van voren.
'Zogenaamd een vriendelijk gezicht,' zei ze. 'Maar daaronder zit een vies, vies...' en ze schakelde over op een andere taal. Ik hoefde die taal niet te kennen om die te verstaan. De tranen sprongen in mijn ogen. Het kassameisje keek mij hulpeloos aan. Ik was overgeleverd aan deze klant. De vrouw verwijderde zich scheldend uit mijn buurt. Ik bleef nog even bij de kassa hangen, niemand zei wat. Ik draaide me om naar de schappen achter me. Over de speculaas heen, scande ik de winkel af en spotte haar op noord-west. Ik nam het rechtergangpad en maakte dat ik wegkwam.
Thuis bedacht ik wat ik had kunnen zeggen, hoewel dat bij dit soort types waarschijnlijk niet werkt, maar stel dat ik gezegd had: 'Mevrouw, ik heb van mijn leven nog niet zo gelachen. U maakt mijn hele dag goed met uw flesje wijn.'
Maar ik was te geschokt. Wat werd mijn glimlach daar zoeven verkeerd geïnterpreteerd.

vrijdag 18 november 2011

De dramadocente

Mijn moeder was een groot deel van haar werkende leven dramadocente. Mijn vader zat ook in het onderwijs. En de gesprekken bij ons aan tafel gingen altijd over leerlingen en didactische vaardigheden. Wat mijn vader vertelde, snapte ik. Mijn vader leerde mensen concreet iets, zoals meester Flik ons rekenen en taal leerde. Mijn moeders leven buitenshuis was een verzonnen leven. Zij was de enige dramadocente op aarde. Het was dé specifieke en persoonlijke kwalificatie voor wie en wat zij was. Toen ik nog heel klein was, nam ze me mee naar haar werk. Ik heb er leren zwemmen. Op het werk van mijn moeder hadden ze een zwembad. (Het is jammer als ik vertel waarom daar een zwembad was). En er was een heuveltje op weg van Bergen naar Bakkum, waar we extra hard overheen reden met haar Simca, omdat ik daar zo lekker misselijk van werd. Toen ik ouder werd begon ik mij te schamen voor de expressieve dramadocente in mijn moeder. Eén keer heel erg toen ze een vriendinnetje van mij imiteerde die een Limburgs accent had.

Afgelopen week gingen we op het gemeentehuis een formulier halen om een parkeervergunning voor invaliden mee aan te vragen. Het zou handig zijn, omdat mijn vader haar dan dichter bij plaats van bestemming kan afzetten als ze ergens heengaan. Ze gaan een paar keer per week koffie drinken op het strand. Mijn vader zet mijn moeder bovenaan de strandopgang af, en moet de auto beneden aan het duin parkeren. Hij moet vervolgens vijftig treden omhoog klimmen. Mijn moeder houdt zich intussen staande aan de paal met het bord 'verboden een bepaald percentage alcohol op het strand te nuttigen', als ze niet is weggewaaid tenminste. Een kwartier laten hervinden ze elkaar en lopen gearmd naar het strandpaviljoen.

'Waar is de wc?'
'Moet je nu?'
'Als papa straks aan de beurt is voor die vergunning, wil ik even extra mank langs die balie lopen.'
Mijn moeder overziet in de grote hal van het gemeentehuis de scène die straks gaat plaatsvinden.
'Papa gaat alleen even een formulier ophalen. Dat moet je thuis invullen en opsturen.'
'Ik wil toch even langslopen.'
Ze maakt aanstalten om op te staan, steunend op haar stok. Ik krijg zin om haar terug te duwen op het bankje.
'Mam, die mensen hier bepalen echt niet of jij die vergunning krijgt.'
'Ik wil het toch doen.'
'Jij blijft zitten en je gaat hier geen act lopen opvoeren,' bijt ik haar toe.
Mijn moeder trekt een gezicht alsof ik haar ik weet niet wat aandoe.
Onmiddellijk schaam ik me dat ik zo uitval. Ik loop even van haar weg.

dinsdag 15 november 2011

Het laatste rijbewijs

Mijn moeder had de formulieren ingevuld voor een nieuw rijbewijs. Voor de komende vijf jaar.
'Ik heb zo'n beetje alles bij elkaar moeten liegen', zei mijn moeder. Ze keek als een stout meisje. Mijn oudste zus was not amused.
'Ik vind het niet verantwoord dat jij nog gaat rijden met dat been', zei mijn zus.
Ik zag mijn moeders been het gaspedaal intrappen. Haar nieuwe heup zou op slot kunnen gaan, en ze zou haar voet niet meer van het pedaal afkrijgen. Ik zei dat ze niet alleen voor zichzelf een gevaar op de weg zou zijn, maar ook voor anderen.
'Kijk, dat je jezelf dood rijdt, moet jij weten. Maar ik rijd ook op die weg.'
Ik had Dr. Phil dit ooit op zo'n toon horen zeggen tegen een teenager in een aflevering over Texting & Driving. Ik wilde weten hoe zoiets uit mijn mond klonk. Ik had onmiddellijk spijt.
'Het is mijn laatste beetje waardigheid', zei mijn moeder.
Om het goed te maken zei ik: 'Vraag het dan wél aan, maar lijst het in.'
'Dat vind ik wel wat', zei ze. 'Mijn laatste rijbewijs in een lijstje.'

zaterdag 22 oktober 2011

Bob Dylan

We reisden af naar Antwerpen om de meester te zien. In 2004 schreef hij in zijn Chronicles hoe hij langdurig zocht naar een nieuw geluid en een daarbij horend publiek. Hij wilde steeds in dezelfde zaaltjes spelen en zo een nieuw publiek opbouwen. Ik denk dat het hem behoorlijk gelukt is en ik denk ook dat mensen die om de verkeerde redenen naar zijn concert komen vanzelf zullen afhaken. Hij heeft zich altijd willen vernieuwen en nooit willen vastleggen. Je moet niet gaan om hem de nummers van zijn platen te horen naspelen, of omdat je in de sixties ook al van hem hield. Mensen vragen: 'Is het nog wat, die Bob?' Dat vind ik beledigend. Als je met de verkeerde aannames een Bob Dylan concert gaat zien, kom je waarschijnlijk bedrogen uit. Ik denk dat dat met aannames vaker het geval is. Aan Bob ligt het niet. Die doet daar niet aan. Die heupwiegt en rockt en bluesharpt vrolijk verder. Hij zoekt, sluit zijn ogen voor iedere regel, hoe zal ik deze nu eens fraseren? Geen avond is hetzelfde. Bob is tamelijk magic.

Ik zag een interview met hem van lang geleden. Bob zat op een bankje op zijn ranch. Zijn kapsel ving wind.
De interviewer vroeg: 'Wat vind je leuk om te doen?'
'Ik hou van lachen.'
'En waar lach jij om?'
'Als iets grappig is.'

donderdag 6 oktober 2011

De wespenverdelger

Mijn ouders hadden een wespennest in de achtergevel van het huis, net onder het dak, bij het raam van hun slaapkamer. Mijn zus had het ontdekt. Mijn ouders hadden ook al wespen in hun slaapkamer gehad. Vandaag kwam een man op een ladder een poederachtig bestrijdingsmiddel in het gat spuiten waar de wespen in en uit vlogen. Even later zweefden er witte wespen boven het terras alsof ze dronken waren.
'Pas op', zei de man tegen mijn vader. Er zat een wesp op mijn vaders kraag geplakt. 'Ze willen nu alleen maar zitten en steken.'
Hij leek banger voor de wesp dan mijn vader.
'Wij doen altijd zo en dan gaan ze vanzelf weg', zei mijn vader en hij maakte een traag gebaar met zijn hand. De wesp verroerde zich niet.
'Ze kunnen niks anders meer dan steken', zei de man en veegde voor de zekerheid toch de wesp maar weg van mijn vaders kraag. We gingen naar binnen om onszelf te beschermen tegen de wit bepoederde wespenplaag die inmiddels boven het terras voor haar leven vocht.
Binnen bood mijn moeder de man koffie aan. Hij ging aan de keukentafel zitten.
'Hoeveel wespen zitten er nou in zo'n nest?', vroeg mijn moeder.
'Zeker zo'n acht tot tienduizend.'
'U bent zeker geen bang mens', zei mijn moeder.
'Als ik ergens in de zomer op een terrasje zit, ben ik panisch als er één zit, maar nu niet, want nu ben ik in de aanval. Ik ga altijd net onder de aanvliegroute staan.'
'Moet u geen pak aan, zo'n imkerpak?'
'Nee hoor, dan heb ik geen bewegingsvrijheid.'
'Nou, wat een interessant beroep heeft u.'
'Vroeger deed ik mollen', zei de man.

Door het raam zagen we hoe de wespen bij bosjes uit de muur op het terras vielen of er nog even boven bleven hangen. In slow motion. Sommigen lieten witte afdrukken achter op de glazen schuifdeuren, compleet met voelsprieten, lijf, kop, poten en vleugels. Als bewijs van het drama. Wiebelige wespenspoken.
'Nu moeten ze het liefst terug het nest in om het gif naar binnen te brengen', zei de wespenverdelger. 'De koningin moet dood.'
'O, de koningin moet dood', peinsde mijn moeder voor zich uit.
'En dan gaat het volk vanzelf.'

woensdag 5 oktober 2011

2011

Mijn moeder wordt een hele dag onderzocht op de geriatrische afdeling van het ziekenhuis. 'De afdeling voor oude mensen', zegt ze op de heenweg in de auto. Mijn vader en ik zijn vandaag haar begeleiders en mogen de hele dag op de afdeling blijven. Dagopname heet dat. We hebben een eigen kamer met een bed waar mijn moeder kan rusten als ze dat wil en er is een hoek met een tafel waaraan we spelletjes kunnen doen en de krant kunnen lezen. Aan deze tafel krijgen we straks ook lunch.

De deuren van de afdeling zitten op slot. Ik krijg van de verpleegster een code, om de deuren te ontgrendelen. En zo kan ik de hele dag in en uit. Naar de wc, die voor bezoekers buiten op de gang is, maar ook met mijn moeder als ik haar naar een andere afdeling moet rijden. Het onderzoek is grondig en zowel haar lijf als haar hoofd worden onderzocht. Mijn vader en ik vullen een formulier in over mijn moeders geheugen en gedragingen, terwijl mijn moeder in een ander kamertje een geheugentest doet. Bij de vraag of er veranderingen zijn in het seksleven, kijk ik de andere kant op. Mijn vader zegt hardop: 'Geen veranderingen.'

Na de lunch moet ik naar de wc. Ik typ de code in die ik de hele ochtend heb gebruikt, maar het groene lampje gaat niet branden. Ik sta te hannesen met die code, als er een man achter een rollator mijn kant opkomt.
'Lukt het niet?', roept de man me tegemoet.
'Die code was toch 2345?', vraag ik.
'Wat zegt u? Ik versta u niet', zegt hij.
'De code van de deur is toch 2345?' Ik schreeuw het in lichte paniek.
Nu komt er een verpleegster de gang op.
'Ja, dat is natuurlijk niet echt handig dat je die code hier hardop gaat lopen roepen', zegt ze.
'O, sorry', zeg ik.
'Wat gaat u doen, meneer Aartsveen?', vraagt ze aan de man.
'Ik wilde een eindje gaan wandelen', en hij kijkt verlangend richting gang.
'Dat lijkt me geen goed idee want dan raakt u de weg weer kwijt.'
'Dat zal toch wel meevallen', zegt meneer Aartsveen.
'Ik ga zo wel een stukje met u lopen. Ik maak even iets af. Ik kom u zo wel halen', en ze verdwijnt haar kamer weer in.
Meneer Aartsveen loopt terug naar waar hij vandaan kwam alsof het daar ineens allemaal te doen is. Ik sta volledig aan mijn lot overgeleverd bij de gesloten deur. Pas nu valt me het briefje op dat bij het codetoetsenbord hangt.
CODE OM DEUR TE OPENEN IS HET HUIDIGE JAARTAL.
Blijkbaar is de code na de lunch veranderd. Ik toets het huidige jaartal in en ik krijg een groen sein.
Op de deur hangt een A4 waar met grote letters op staat: LAAT GEEN PATIËNTEN VAN DEZE AFDELING MET U MEE NAAR BUITEN LOPEN. Ook dat zie ik nu voor het eerst. Als ik op de wc zit, schaam ik me. Ik zou aan de verpleegster willen uitleggen dat ik me nu pas realiseer wat voor afdeling dit is, met mensen die het huidige jaartal niet meer weten. Ik zou haar willen zeggen dat ik van nieuwe apparaten ook nooit de gebruiksaanwijzing lees. Dat ik onmiddellijk op knopjes begin te drukken om te kijken wat er gebeurt. Dat ik al die briefjes gewoonweg over het hoofd heb gezien. Maar ik zou het allemaal nooit in één zin kunnen samenvatten. En wat als ze geen tijd heeft om te luisteren naar mijn verdwaalde gedachten?
Later die middag moet mijn moeder nog een hartfilmpje laten maken op een andere afdeling. Als we door de deur moeten en ik de code intik om de deur te openen, vraag ik aan mijn moeder: 'Mam, wat is het huidige jaartal?'
'2011. Hoezo?', vraagt ze.
'O gelukkig', zeg ik.
'Was je dat vergeten?', vraagt ze.

dinsdag 20 september 2011

Hokje

Hij doet boodschappen. De eieren zijn in de aanbieding. Je krijgt de tweede doos gratis. Maar de schappen waar de eieren zouden moeten staan, zijn leeg. Er zijn geen eieren. Een vrouw staat beteuterd bij de lege schappen.
Hij zegt: 'Ik ga het wel even vragen aan een medewerker, of er nog eieren zijn.' Hij loopt weg. Zij wacht geduldig. Hij vraagt aan een jongen die elders vakken staat te vullen of er nog eieren zijn.
'O ja, er zijn nog heel veel eieren vlak bij de kassa.'
Hij gaat de vrouw halen. Verwachtingsvol lopen ze samen richting eieren. Vlak bij de kassa staan inderdaad eindeloos veel eieren. Het zijn twee stapels. Een stapel scharreleieren en een stapel gewone eieren.
'Ik neem de scharreleieren', zegt hij.
'Wat is het verschil eigenlijk?', vraagt zij.
'Deze kippetjes hebben lekker een beetje rondgelopen', zegt hij. Hij wijst naar de vrolijke kippetjes in het gras op de dozen scharreleieren. 'Ik vind dat fijn om te weten, maar als u daar niks om geeft.'
'Ze geven om ons ook niks', zegt zij.
'Die andere kippen zitten in een heel klein hokje', probeert hij.
'We zitten allemaal in een hokje straks', zegt ze en pakt twee dozen van de gewone stapel.

vrijdag 29 juli 2011

Een hernia of geen hernia

Mijn moeder verkondigde al weken dat ze een hernia had en dat ze dan een kleine operatie nodig zou hebben, klaar, weg, pijn in de lies. Ze had nog geen uitslag van de MRI gehad, maar ze wist het zeker. Ze hoopte op een hernia, opdat de pijn aanwijsbaar zou zijn en de mogelijkheid bestond het te verhelpen. De vakantie werd er voor afgezegd en mijn zus en ik waren gekomen om mee te gaan naar het ziekenhuis voor de uitslag.
'Als ik een hernia heb, gaan we uit eten', zei mijn moeder.
Met zijn vieren zaten we in het kleine wachtkamertje gepropt, mijn zus, mijn vader, mijn moeder en ik.
'Een alleraardigste vrouw, de neurologe, een Poolse', zei mijn vader. Hij bleef de naam herhalen. Hij had duidelijk geoefend.
'Ze is totaal niet wat je verwacht bij een neurologe.'
Even later zaten we op een rij voor het bureau van een vrouw die geen doktersjas droeg, maar een zwarte jurk met rode bloemen, haar gezicht zorgvuldig opgemaakt en haar lange zwarte haar over één schouder gedrapeerd.
'U heeft geen hernia', zei de vrouw die er niet uitzag als een neurologe.
Mijn moeder reageerde teleurgesteld. 'Maar ik heb wel pijn', zei ze, alsof de neurologe haar die pijn ter plekke gaf.
'Dat geloof ik', zei de neurologe, 'maar de pijn komt niet door een hernia en er zit ook geen zenuw in de knel.'
Ze liet de foto's zien op haar computerscherm. We tuurden naar de dwarsdoorsnede van de ruggengraat van mijn moeder.
'En wat moet ik nu?', vroeg mijn moeder.
'Ik stuur u terug naar de orthopeed en die moet weer verder zoeken.'
'Dat gaat maanden duren en ik maar pijn lijden', zei mijn moeder.
'Ik kan verder niks doen.'
'Dus ik heb geen hernia?', vroeg mijn moeder alsof de neurologe nog van gedachten zou veranderen.
'Ik heb een hernia uitgesloten. U heeft geen hernia.'
Beneden maakten we een nieuwe afspraak met de orthopeed.
Toen we buiten stonden, zei mijn moeder: 'Dan gaan we toch maar uit eten om te vieren dat ik geen hernia heb.'
Deze week krijgt mijn moeder een botscan.

maandag 25 juli 2011

Ouder worden en er iets van vinden

'Ik vind er niks aan, ouder worden', zegt mijn moeder.
'O', zegt mijn vader.
'Vind jij er wat aan dan?', vraagt mijn moeder.
'Kan best zijn dat ik er ook niks aan vind, maar ik praat daar nooit over', zegt mijn vader.

dinsdag 5 juli 2011

Nagels knippen

'Wil jij onze nagels knippen?'
'Ja hoor', zeg ik.
'Wij kunnen er niet meer bij.'
'Het schaartje hebben we al klaar gelegd.'
'Het ligt binnen op het theekastje.'
'Zodat we het niet zouden vergeten te vragen.'
Ik haal het schaartje, pak een krukje uit de garage en loop terug de tuin in.
'Wie wil eerst?' vraag ik.
Mijn vader wil eerst.
'Zo, leg je voet maar op het krukje.'
Mijn vader begint al te sissen nog voor ik de schaar in zijn teennagel heb gezet. Ik bestudeer zijn voeten, in hoeverre ze op de mijne lijken. Sommige nagels zijn moeilijk want die zijn verkalkt en daardoor dik en hard. Zijn huid is extreem zacht.
'Zo, volgende patiënt', roep ik als ik klaar ben.
'Ik zit in de wachtkamer', roept mijn moeder en ze legt haar boek op tafel. Ik zet het krukje voor haar neer.
'Had jij nou ooit verwacht dat je onze nagels nog eens zou knippen?', vraagt ze.
'Nee nooit', zeg ik.
Mijn moeder heeft mooie voeten, met hoge wreven. Balletvoeten. Ik bewonderde ze als kind al en probeerde mijn voeten net zo te houden als mijn moeder als ze met haar benen over elkaar zat, haar schoen soms bungelend aan haar teen, maar mijn wreven zijn niet zo mooi hoog. Haar nagels zijn zacht en soepel. Het werkje is zo gepiept maar ik neem de tijd.

Het lekkerste chocolaatje

Mijn vader heeft een chocolaatje bij zijn koffie gekregen. Hij steekt het in zijn mond en sluit verzaligd de ogen.
'Dit is wel het lekkerste chocolaatje dat ik ooit gegeten heb', zegt hij.
Mijn moeder naast hem zegt: 'Inderdaad, je ruikt helemaal lekker.'
Hij blaast zachtjes richting haar neus en zij snuift de geur op. Dan geeft hij haar een kusje op haar bovenarm.
'Heerlijk hè', zegt ze.

maandag 13 juni 2011

Wereldse vrouw

Toen mijn vader nog studeerde, werkte mijn moeder in Antwerpen, om daar Douwe Egberts koffie in de markt te zetten. Ze stond ergens op een beurs en bood de mensen dan een kopje koffie aan. Ze verdiende ontzettend veel geld. Omgerekend 45 gulden per dag, maar ze kreeg het uitbetaald in Belgisch geld en dat kon je alleen daar besteden. Ik ben niet nagegaan of deze informatie klopt, maar dit is het verhaal zoals ik het vernomen heb, toen ik gisteren mijn vader en moeder op bezoek had.
Mijn moeder maakte haar geld dus op in Antwerpen en kwam met tassen vol cadeaus in het weekend naar huis.
'Ze kwam helemaal anders terug', zegt mijn vader.
'Hoe dan?' vraag ik.
'Ze had dan een truitje aan, helemaal uitgesneden tot hier', en hij wijst naar net boven zijn navel.
'Vond je dat leuk?' vraag ik.
'Dat vond ik wel leuk', zegt hij.
'Ik kocht daar allemaal rokken van kamgaren en van die mooi zittende truitjes. De mode is daar heel anders', zegt mijn moeder.
'Ze verdiende zoveel geld. Ze kwam helemaal uit Antwerpen met een taxi.'
Ik zie haar voor me, eerst één been en dan haar nauwsluitende rok en dan haar decolleté en een bos niet te temmen krullen. Mijn wereldse moeder die een beetje voorover gebogen uit een taxi stapt, om met nogal wat bravoure haar verloofde het hoofd op hol te komen jagen.
'Ze ging weg als een vroom meisje en kwam terug als een wereldse vrouw.'

dinsdag 24 mei 2011

Kijken of zien

Ik kijk bijna nooit mensen aan. Ook niet als ik met ze praat. Ik kijk in de lucht of naar beneden of weet ik waar ik naar kijk. In elk geval zoek ik nooit ogen. Toen ik, lang geleden, in Amerika ging studeren, ontving ik een brochure over Het Nieuwe Land waar ik binnenkort heen zou gaan. Er stonden dingen in als: De Amerikaan vraagt altijd hoe het gaat. Dit is een beleefdheidsfrase. Je antwoordt daar niet uitgebreid op. Je zegt gewoon dat het goed gaat, ook al gaat het slecht. Als je een Amerikaan aanspreekt, kijk je hem recht in de ogen. Als je dat niet doet, wordt dat als onbeleefd ervaren.
Dit weekend gaf ik een cursus toneelschrijven en halverwege een les werd ik mij weer eens bewust van mijn oogontwijkend gedrag. Maar tegelijkertijd realiseerde ik me wat ik wel zag. Ik zag waar de verhalen heen moesten. Ik had mijn cursisten even daarvoor een beeld laten opschrijven dat ze bij hun stuk vonden passen, abstract of concreet. Ik had deze opdracht nog nooit gedaan. Ik verzon het ter plekke. Er kwamen hele mooie beelden uit. Een rietstengel die meebuigt met de wind omdat ie anders afbreekt. Een raam dat uitkijkt op een raam aan de overkant. Ze maakten voor mij heel duidelijk waar de stukken over gingen. Die beelden lieten mij dat zien. In mijn hoofd.

vrijdag 13 mei 2011

Jeugdvriend

Zijn moeder bakt zelf brood, maakt zelf jam en boter. Het is haar grote trots. We zitten in de keuken en krijgen een dikke plak, donker, vochtig brood met daarop een laag vlokkige boter en een dikke laag jam. Ze noemt het gebakjes. De boter smaakt altijd een beetje gekkig. Zij vindt het de beste boter van de wereld en ik doe alsof ik het lekker vind omdat gezegd wordt dat het lekker is. Liever at ik alleen het brood met de jam of nog liever alleen de jam, want het brood smaakt zurig, net als de boter. In hun huis ruikt het ook zurig. In de keuken staat een grote karnton op de grijze tegels. Dezelfde tegels als bij ons op de wc met dieren erin. Hier zitten weer andere dieren in.

Mijn jeugdvriend overleed, niet toen onze jeugd nog in volle bloei was, maar veel later. Hij stortte op zijn negentiende in elkaar op het hockeyveld. Mijn moeder vertelde het me toen ik terugkwam van vakantie. Ze drukte me op het hart dat zijn moeder het fijn zou vinden als ik langs zou gaan om met haar te praten over haar zoon. Ik heb het nooit gedaan.

Antoine en ik speelden met barbies, zaten samen in bad en sliepen in één bed. Op een dag belde ik aan, zoals altijd, om te spelen. Zijn moeder deed open en zei: 'Je moet hier maar niet meer komen. Antoine moet meer met jongens gaan spelen.'
Ik deed wat ze vroeg.

woensdag 11 mei 2011

Uitvalsbasis

Het terras ligt dicht bij een druk kruispunt. Ik zit te wachten op de redactrice. Het proletengehalte blijkt hoog op het kruispunt waar vijf wegen samenkomen. Proleet is een woord van mijn moeder. Als zij omver wordt gelopen in de stad, of voor de sokken gereden, krijgt de dader steevast 'Proleet!' naar zijn hoofd geslingerd, waarbij ze nadruk legt op de laatste lettergreep.
Er staat een auto voor het stoplicht met een man van middelbare leeftijd met kaal hoofd. Pompende muziek uit zijn speakers. Als hij groen licht heeft en de bocht neemt rijdt hij bijna twee fietsers ondersteboven. Gescheld van de fietsers. Van het rijdende cliché is alleen nog het wolkje rook uit zijn uitlaat te zien. In de verte komt de redactrice zwaaiend aangelopen.

'Ik zat hier vanmiddag ook al. Het is hier echt een gekkenhuis.'
'Nooit geweten dat dat hier was', zeg ik.
We bestellen koffie.
'Wat ik vaak bij beginnende schrijvers zie, is dat ze alles in dienst van het plot schrijven, terwijl ik gewoon ook wel eens de stilte van een personage zou willen lezen. Wat doet zo iemand als die alleen in een kamer zit? Wat hangt daar aan de muur bijvoorbeeld? Daar mag best een foto van een opa hangen, ook al komt die opa in het hele verhaal niet voor. Een scène die er ogenschijnlijk niet toe doet voor het verhaal, maar die wel heel veel zegt op een ander niveau.'
Ik bedenk wat mijn personages doen als ze zich ongezien wanen.
'Soms weet zo'n schrijver niet eens hoe het huis van zijn personage eruit ziet. Geef zo iemand een uitvalsbasis, denk ik dan.'
'Jij bekommert je om de personages', zeg ik.
'Ja', zegt de redactrice vol vuur. 'Ze hoeven niet alleen maar in dienst van het verhaal te staan. Ik vind dat onmenselijk.'
'Onpersonagelijk.'
'Ja.'
'Jij zou eigenlijk een opvanghuis moeten beginnen voor personages die geen thuis hebben.'
'Ja, eigenlijk wel', zegt ze lachend.
Een vrouw komt bij ons tafeltje staan. Ze heeft haar fiets aan de hand.
'It's my birthday. Do you have some money for me?'
'No sorry', zeggen wij.
Bij het weggaan blijft één van de stoelen die bij ons tafeltje staat achter haar fietstassen haken. De poten van de stoel krassen over de stoeptegels. De vrouw heeft niets in de gaten. Pas bij de tafel van de buren laat de stoel los.