woensdag 27 juni 2012

Alleen

Mijn moeder voelt zich eenzaam en ontredderd, zeggen de artsen in het ziekenhuis. Vooral als ze alleen in een kamer is en er niemand om haar heen is. Dan doet haar leven er niet zoveel meer toe. Zolang mensen zich met haar bezighouden, is ze vrolijk. Altijd een gezelschapsdier geweest, mijn moeder. Ze is vijf dagen in het ziekenhuis geweest voor onderzoek. We hebben haar beloofd dat dit de laatste keer zal zijn. Ze vindt het heerlijk om weer naar huis te gaan. Mijn vader is de kwiekste van ons. Ik ben vorige week door mijn enkel gegaan. Mijn vader duwt de rolstoel en de dochter strompelt achter hem aan. Vroeger als we in het bos wandelden, hield hij zijn handen gevouwen op zijn rug. Ik deed hem dat na. Er zijn foto's van een lange dunne vader op de rug gezien en daarachter een klein blond meisje met de handjes gevouwen op haar rug. Mijn moeder heeft dat vastgelegd, talloze keren. Mijn vader deed altijd alsof we verdwaald waren in het bos en begon dan hardop te fantaseren wat we allemaal zouden moeten doen om te overleven.
Als we thuis zijn, gaat mijn vader boodschappen doen. En hij moet ook nog een rolstoel gaan halen, zodat we naar het strand kunnen want ze kan nog maar kleine eindjes lopen. Ik schrijf in het schrift wat er allemaal besproken is in het ziekenhuis. 
Mijn moeder is stil en ik ben ook niet erg spraakzaam nu ik schrijf. Als ik naar haar kijk, zie ik dat haar ogen dichtvallen. Ik vraag of ze moe is.
'Ja, dat ik toch steeds zo moe ben hè', zegt ze.
'Vind je de tuin niet prachtig?', vraag ik.
'Prachtig ja.'
Ze kijkt de tuin in alsof ze iets zoekt. Als het een tijdje stil is, vallen haar ogen weer dicht.
'Mam, neem maar een slokje van je thee', zeg ik.
'O ja', en ze tilt het kopje op en blaast in de koude thee. 
'Ik denk dat ik maar weer even ga liggen.'
'Dat is goed, mam, dan roep ik je zo weer.'
'Vind je het niet ongezellig?', vraagt ze.
'Nee hoor, ga maar lekker even liggen. Lukt het alleen?'
Even later kijk ik om het hoekje en zie haar liggen op de bank. Ze heeft haar schoenen uitgetrokken. Na ongeveer tien minuten komt ze alweer met haar rollator naar haar stoel gelopen. Ze heeft haar schoenen weer aan.
'Lekker geslapen, mam?'
'Heerlijk.'
'Zullen we even gaan wandelen?'
'Ik geloof niet dat ik daar zin in heb.'
Ik weet van de buurvrouw die iedere dag met haar wandelt, dat je haar gewoon moet overhalen.
'Ik denk wel dat het goed is hoor.'
'Zou je denken?'
'We kunnen het proberen en zien wel hoever we komen. Ik ga zelf ook niet al te snel. Ik ga je jas wel even halen.'
Ik trek haar jas aan en we gaan via de garage de oprit af, het straatje in. Ik voel de ogen van de buurvrouw mijn initiatief goedkeuren. Mijn moeder loopt voorover gebogen en is kortademig.
'Rechtop, doe maar of je aan een draadje wordt opgetrokken', zeg ik.
Na iedere twee stappen staat ze stil. Ik pluk een bloemetje van een struik in de tuin van de overburen en houd het voor haar neus.
'Lekker', zegt ze. Ik bedenk dat aromatherapie wel iets voor haar zou zijn. Prikkeling van de zintuigen om haar eenzaamheid te lijf te gaan.
Die middag laat ik haar de aardappels schillen. We moeten haar meer betrekken in het dagelijkse leven. Ik pak de mand met aardappels, leg de dunschiller erin en het aardappelmesje voor de pitten. Precies zoals ik me herinner dat ze het vroeger deed. Ik zet een pan water op het tafeltje naast haar, om ze in te doen. Terwijl ik de boontjes dop, de zalm zout en een salade maak, zie ik haar verbeten schillen, met de tong uit haar mond. Haar fanatisme heeft ze nog.
Als mijn vader thuiskomt, laat ik hem trots de aardappels zien.
'Kijk, heeft mamma geschild.'
'Echt waar? Heb jij die geschild?', vraagt hij mijn moeder.
'Welnee', zegt ze.

vrijdag 8 juni 2012

De godverdommes

Ik zat vanmorgen vroeg in de tram te genieten van een jong hondje, laag op de pootjes, met te grote oren voor de rest van zijn lijf. Het meisje dat het hondje aan de lijn had, lachte trots naar me. We zaten achterin en elke keer als bij de halte mensen voor de deur stonden om eruit te gaan, snuffelde het hondje voorzichtig aan hun schoenen, leren tassen en bij een meisje aan de bontjes van haar laarzen. Daar moest ik om lachen. Zijn staart hing plat en loodrecht achter zijn lijf naar beneden en reikte tot de grond. Als de deur open was en de mensen naar buiten, dan gooide het hondje zijn neus in de wind alsof hij die op wilde vangen. Dan ging de schuifdeur hortend en stotend dicht en deinsde hij achteruit, viel eerst van schrik op zijn kont en ging dan naar het baasje om aangehaald te worden.
'Goed zo', zei het meisje dan. Zo ging het een paar haltes.
'Dit is zijn eerste keer in de tram', zei het meisje.
'Hij probeert alles te begrijpen, maar het is natuurlijk onbegrijpelijk wat hier gebeurt', zei ik.
Ik zat helemaal in de wereld van het hondje. De geluiden, de schuifdeur, het hekje, het piepen van de ov-chipkaarten. Alles vanuit het perspectief van die hond.

Op de Marnixstraat werd omgeroepen dat er een ongeluk gebeurd was en dat de tram door zou rijden tot het Haarlemmerplein, maar ik moest naar Centraal station. Dus ik stapte uit om de bus te nemen. De tram reed door en ik zwaaide naar het meisje dat wel verder ging. Ik dacht aan het hondje dat mij nu niet kon zien.

Een groot deel van de mensen stapte over op de bus die achter de tram was aangesloten. Een vrouw voorin was erg opgefokt en zei wel drie keer godverdomme. De bus reed een stukje en stopte 30 meter verder op de halte nog een keer. Een oude vrouw stapte in en dat ging nogal traag.
'Ja, jezus mens', zei de opgefokte vrouw tegen haar.
Ze zei het echt en ik stond op het punt er iets van te zeggen, toen de oude vrouw zei: 'Ach ja, ik heb ook maar één leven.'
Ik moest daar even over nadenken maar ik vond dat ze zich daarmee goed verweerd had tegen de opgefokte vrouw. Ik zag de oude vrouw letterlijk dat ene leven op haar rug torsen, zich daar constant voor verontschuldigend.
De bus werd voller en voller en bij elke halte hoorde ik een godverdomme en wist ik precies waar de opgefokte vrouw zich in de bus bevond. Tot ze bij de Dam uitstapte.

Vlak voor Centraal stond er een man naast me. We stonden stil voor de laatste kruising.
'Godverdomme', zei de man, 'waarom staan we stil?'
Ik zag een schoolklas kindertjes het zebrapad oversteken.
'We kunnen ook gewoon op die kinderen inrijden', zei ik tegen hem.
Hij wendde zich af. Buiten regende het pijpenstelen.