woensdag 29 december 2010

Mijn rug is een doffe kerstbal

Mijn rug was naar de gallemiezen. Er zat geen beweging in. Tijdens mijn zoektocht naar een doodeenvoudige naald (die van naald en draad), was ik van een stoepje gestapt dat ik niet gezien had. Waar kocht je vandaag de dag een naald in een wereld waar geen fourniturenwinkels meer bestaan? De Chinese eigenaresse van de winkel die ALLES heette, maar geen naalden verkocht, keek me niet-begrijpend aan. Met terugwerkende kracht verweet ik het verdomde stoepje en de eigenaresse de staat waarin ik nu lag.
'Op de vloer liggen en je benen op een stoel. Dat is het enige wat helpt', zei de huisarts door de telefoon, en daar lag ik.
Op gezette tijden werd ik gevoederd. Operatie mij richting een bord eten keren kon beginnen, en alleen met die draai was ik al een half uur in de weer, laat staan met het nemen van de eerste hap en de happen die volgden. Een baby was hier een stuk bedrevener in. Ik was een uit de kluiten gewassen en stijf exemplaar. De volgende dag strompelde ik in een uur naar de huisarts waar ik gewoonlijk in vijf minuten naartoe gehuppeld was en daar werd een ander soort naald in mijn been gezet. In de dagen die volgden deden de spierverslappers hun werk en las ik, nog altijd liggend op de grond, de beterschapskaart die mijn vader me schreef.
Je moest beter uitkijken, als je loopt. Maar ja, daar heb je nu niks aan, nu je op de grond moet liggen.
En ook schreef hij: De kerstboom staat al. Ik heb één bal aan jou toegewezen, die is nog wat dof. Ik let op hem, of ie al meer gaat glanzen en later zelfs stralen.
Toen ik in staat was hem met droge ogen te bellen om hem te bedanken voor zijn mooie woorden, wist hij niet meer wat hij geschreven had.
'Maar ik schrijf toch meestal wel mooie dingen', zei hij.
Toen ik hem voorlas wat hij geschreven had, zei hij: 'Dat is inderdaad wel erg mooi.'

zaterdag 18 december 2010

Wat heb ik gezien?

Onlangs kwam ik erachter dat ik bijna twintig jaar recht tegenover het Hofnarretje heb gewoond. Jarenlang heb ik vaders en moeders hun kinderen gedag zien zwaaien die met hun neuzen tegen de ramen gedrukt stonden met een hoe-kun-je-mij-dit-aandoen-blik in hun ogen. Weifelende ouders voor de deur die maar bleven zwaaien. Ik kon ze horen denken: doe ik hier wel goed aan? Waarom een baan én een gezin? Personeel dat gebaarde dat de ouders weg moesten gaan, omdat het kind op de arm alleen maar harder huilde zolang ze bleven staan. Moeilijke dilemma's recht tegenover mij. Vanuit mijn huiskamer keek ik op ze neer. Jarenlang zag ik tot laat in de middag ouders met stadsbakfietsen gehaast terugkeren om als laatste hun kind op te halen. Ik heb het personeel de deur op slot zien draaien en in hun auto's zien stappen of zich naar de Albert Heijn op de hoek zien haasten. Ik heb het allemaal vanuit mijn ooghoeken aanschouwd, zonder bijgedachten. Die komen nu pas. Waar heb ik eigenlijk al die jaren naar zitten kijken?

donderdag 9 december 2010

Eénoog

Mijn vader moest naar het ziekenhuis om een stukje huid op zijn rug weg te laten halen. Ik was om 6 uur opgestaan om de trein te halen naar het dorp waar mijn ouders wonen. Hij haalde me op bij het station om meteen door te rijden. We moesten rustig aan doen want het kon heel glad zijn. Samen met andere vroege weggebruikers reden we in colonne richting ziekenhuis.
In de wachtkamer kwam een man langs met een bolstaand wit verband voor zijn oog.
'Die is koning in het land der blinden', fluisterde mijn vader.
Mijn vader werd opgeroepen en verdween in een kamertje. Ik bladerde door interieurglossy's en dronk thee uit mijn thermoskannetje. De koning in het land der blinden kwam naast mij zitten.
'Is uw man ook naar de plastisch chirurg?'
'Mijn vader...is bij...tja, ik weet eigenlijk niet of dat een plastisch chirurg is. Hij moet plekken laten weghalen.'
'Ja, mijn vrouw ook. Hier (...) hier (...) en hier (...),' gebaarde hij naar verschillende plekken op zijn lichaam. Ik kon niet zo goed volgen waar, behalve dat hij als laatste richting schaamstreek wees, waar hij dan de schaamstreek van zijn vrouw mee moest bedoelen.
'Ik heb beneden bij de balie gevraagd of ik gelijk met haar geholpen kan worden.' De cycloop tikte met zijn wijsvinger op zijn ingepakte oog. Het klonk naar plastic onder het verband. 'Maar ik kan pas om half 11.'
'Wat vervelend voor u.'
De man was nogal ongedurig, alweer opgesprongen en de hoek om verdwenen. Ik bestudeerde de inrichting van een Italiaans kasteel en las hoe de muren in de badkamer bewerkt waren met leemstucverf. Een glanzende antracietgrijze muur was het resultaat.
Eénoog schuifelde nog een keer voorbij. 'Is ze er al uit?', vroeg hij. 'Nee, nog niet', zei ik.
'Ik wilde tegelijkertijd geholpen worden, maar ik kan pas om half 11 geholpen worden. Halluf 11. Snapt u dat nou?'
'Vervelend voor u.'

donderdag 11 november 2010

Wereldreizigers

Ik herken ze aan hun stemmen. Ik draai me om en zie ze op hun rug lopen richting koffiehoek waar we hebben afgesproken. Allebei hetzelfde gebroken witte windjack met groene biezen. Mijn vader achter de trolley met koffers. Mijn moeder achter haar rijdende looprek. Ik wurm me tussen hen in en sla mijn armen om hun schouders. We lopen direct door naar afwijkende bagage.

We hebben nog ruim een uur voor thee en muffins. Gewapend met medische brieven zullen ze straks opgehaald worden. De vrouw met de nieuwe heup en haar begeleider. Ik leg een zak wereldreizigersdrop voor ze op tafel.
'Jij hebt altijd van die aparte dingen', zegt mijn moeder.
'Dat is zeker bedoeld voor onderweg?', vraagt mijn vader.
'Hoezo?', vraag ik.
'Ik zou best nu al een dropje lusten', zegt mijn vader.
'Nou maak open', zeggen mijn moeder en ik in koor.
'Gaan jullie nog excursies maken?', vraagt mijn vriend.
'Op onze leeftijd ben je niet meer zo avontuurlijk ingesteld. Nou ja, moeders hier nog wel, maar die is dan ook een jaar jonger', zegt mijn vader terwijl hij ons een dropje aanbiedt.
Mijn moeder lacht.
'Het is ieder jaar een feest van herkenning of een verrassing wat er nu weer veranderd is', zegt mijn vader, 'maar dat zijn maar kleine dingen hoor, die daar veranderen.'

Voorbij de douane zien we ze in een golfkarretje wegrijden. Mijn moeder zwaait met haar kruk, alsof ze met een vlag zwaait aan een lange stok. Mijn vader houdt de rolstoel vast van een andere vrouw die slecht ter been is. Hij is zo geconcentreerd op zijn taak dat hij niet meer opkijkt.

Mijn vriend vertelt op de terugweg nog een verhaal. Hij ging met mijn vader naar de wc op Schiphol. Er hing een bordje 'gentlemen'.
'Daar trekken we ons maar niks van aan', had mijn vader gezegd.

donderdag 28 oktober 2010

Sprookje

De zaallichten gaan uit en het licht op het podium aan. Bob Dylan komt op met zijn cowboyband. De Oscar die hij in 2001 won voor Things Have Changed staat op zijn piano. Bob en Oscar, onafscheidelijk. Ik ben hier met mijn beste vriend. Achter ons staan twee jongens, een hele lange en een minder lange. Dylan speelt het dak eraf en om de haverklap horen we in Brabantse tongval 'Gruwluk' achter ons, wat duidelijk betekent dat de muziek bevalt. De lange van de twee staat achter mij en ik lach naar hem en hij lacht naar mij. De jongen die licht geeft in het donker.

De jongen en ik wonen nu in een heel klein huis. We slapen samen in een heel groot bed. Vandaag vieren we dat Bob vijf jaar geleden zijn pijlen afschoot. Hij was altijd mijn held, maar sinds vijf jaar ook Mr. Cupido. Die rol past hem. Hij zou het leuk vinden als hij het wist. We vieren het. De hele dag. Met tompoucen bij de koffie. Met haring bij de lunch en film bij de avond.

vrijdag 22 oktober 2010

Boren

Mijn moeder is weer thuis. En dat vieren we met bloemen en taart. We zitten in de laatste herfstzon, met jassen aan, op het terras. Mijn ouders zijn uitgelaten. Na de lange herstelperiode zijn ze nu eindelijk weer herenigd en de blijdschap daarover is niet te verbergen. Ze praten over de binnenhuisarchitect die hen, lees: mijn moeder, door de jaren heen advies heeft gegeven over de inrichting van hun huis en nu advies zal geven over de aan te passen badkamer. De man is allang met pensioen maar voorziet nu zijn oude klanten die net als hij gebreken beginnen te vertonen, af en toe nog van een advies over een te verhogen bed of wc.
'Van hem heb ik nog het boren geleerd,' zegt mijn vader.
'Dat is waar ook,' zegt mijn moeder.
'Ik was toen bezig met het maken en ophangen van een boekenkast,' zegt mijn vader. 'Maar toen die kast hing, was ik nog lang niet uitgeboord. Ik had zo'n plezier in het boren dat ik overal gaatjes in boorde.'
'Wat boorde je dan allemaal?' vraag ik.
'Het gereedschap in de garage bijvoorbeeld. Ik boorde dan een gaatje door de steel van de schep en deed daar een touwtje doorheen waarmee die aan de muur kon worden opgehangen, maar dan moesten er natuurlijk weer gaten in de muur geboord worden. En zo is dat gegaan met de hark, de bezem, de stoffer, afijn alles met een houten steel.'
Ik heb nog nooit met deze ogen gekeken naar de bonte verzameling gereedschap die aan haken aan de muur in de garage hangt.
'Maar ja, op een gegeven moment ben je wel uitgeboord.'

donderdag 7 oktober 2010

De ruimte

Ik geef sinds drie weken een cursus schrijven in mijn atelier. Eerst was het al een wonder dat genoeg mensen zich hadden aangemeld om een cursus mee te vullen. Toen ging het echt beginnen. Weken hadden we geklust om de werkruimte om te toveren tot een cursusruimte, met een nieuw koffiezetapparaat en nieuwe kopjes. Ik had hangers gekocht en die aan de kapstok gehangen. Het laatste stukje vloer was geverfd. Alles was in afwachting van de cursisten en toen op een zaterdagmiddag was het zover. De eerste cursist die kwam, hing zijn jas op een hanger aan de kapstok. De cursist ging aan tafel zitten en keek in het stapeltje papieren dat voor hem lag, dat ik even daarvoor zorgvuldig had neergelegd. Steeds ging de bel en de cursisten druppelden één voor één binnen. Ik zette koffie in het nieuwe apparaat en schonk die in de nieuwe kopjes. Ik had verschillende soorten thee in bakjes gedaan en op tafel gezet. De mensen die thee dronken, kozen een smaak alsof er altijd thee was gekozen uit die bakjes en ze legden de gebruikte zakjes netjes op de daarvoor bestemde schaaltjes, alsof ze altijd hun gebruikte zakjes op die schaaltjes hadden gelegd. Ook de koekjes gingen er als vanzelf in. Niemand wist hoe ik in winkels had staan dralen bij het uitkiezen van de kopjes en de soorten thee. En hoe ik vlak voor aanvang van de cursus de schaaltjes voor de theezakjes nog drie keer had verplaatst en hoe ik van elke koeksoort evenveel koekjes op de schaal had gelegd.

dinsdag 21 september 2010

Rollators zijn hip

Mijn moeder maakt het goed. In het begin drukte de sfeer van het verpleegtehuis zwaar op haar gemoed en ook op dat van mijn vader, die iedere dag op bezoek gaat, terwijl hij niet tegen ziekte of zieke mensen kan. Nu werpt mijn moeder zich op als maatschappelijk werkster.
'Gister zat ik op zo'n blauwe stoel daar en ik had ineens vijf mannen in rolstoelen om me heen.'
'Alleen maar mannen?' vraagt mijn vader.
'Ze moeten gewoon hun verhaal kwijt,' vervolgt mijn moeder. 'Het is onderdeel van hun verwerkingsproces. Dus luister ik.'
Mijn moeder gaat kwiek op het zitgedeelte van haar rollator zitten.
'Iedereen is er hier erger aan toe dan ik. Dat van mij is echt niks in vergelijking met alle geamputeerde benen, beroertes en hangende hoofdjes.'
Die rollator staat haar. Zij maakt van de rollator iets wat je hebben moet als moderne oudere, een hippe gadget. En ze heeft gelijk. Iedereen is er hier erger aan toe dan zij.
'Eén man is wel een beetje eng,' zegt ze. 'Die loert de hele tijd naar me.'
Ik zeg dat ze gewoon van zich af moet bijten.
'O ja hoor,' zegt ze. 'Hij is toch invalide. Ik geef hem gewoon een oplawaai. Dan valt ie vanzelf om.'
Mijn vader haalt opgelucht adem.

donderdag 16 september 2010

De bijna-tijd

Het is koud in huis en ik krijg de kachel niet aan. De zon schijnt door de wolken mijn kamertje binnen. De was draait. Ga ik die straks op het balkon hangen of op een rekje in de kamer? Zonder kachel om de kleren te drogen. Ik drink bambukoffie omdat ik echte koffie probeer te ontwennen. Met sojamelk omdat ik gewone melk probeer te ontwennen. Ik krijg hoofdpijn van een leven zonder koffie. En ik heb het idee dat ik constant slaperig ben. Ik had een verfijnde manier van koffiezetten ontwikkeld met het goeie ouwe espressopotje op het vuur en de juiste maling koffie. Ik was een volleerde barista in eigen huis. Ik heb jaren gezocht naar de beste melkschuimer en de precieze hoeveelheden koffie en melk naar mijn smaak. Zelfs de grootte van de kop was van belang. Nu gebruik ik deze kop voor mijn nepkoffie en ik zoek nog naar de juiste hoeveelheden. Het is een zwaar offer. Het is één grote ontwenning, mijn leven. Ik moet bijvoorbeeld ook afleren op mijn buik te slapen, omdat ik scheef groei als ik dat doe...
De was hangt inmiddels in de bijna-regen of de bijna-zon. Het waait wel goed. Het is zo'n periode overal tussen. Ik wil maar niet warm worden en echt koud is het ook niet. En dit stukje gaat ook niet echt ergens over.

zondag 12 september 2010

The day after

In de tram vandaag stapte een verwilderde man in, lange grijze haren onder zijn wollen muts vandaan, zware schoenen aan zijn voeten. Hij sprak een taal die ik niet verstond. Hij sprak de lege stoelen, de buizen en de ramen toe. Het klonk niet boos. Het klonk opgewekt. Het had net zo goed een variant op Marc groet 's morgens de dingen kunnen zijn. Dag tram, lieve tram tram. Daa-ag buizen waaraan de mensen zich staande houden. Dag ramen waardoor de mensen naar buiten kijken.
De conducteurs lieten hem maar zo'n beetje zijn gang gaan. De Surinamer die een paar stoelen verder zat, ergerde zich luid en duidelijk aan de dingen groetende verschijning. De verwilderde man was allang buiten gehoorsafstand en de Surinamer sprak niet tegen iemand in het bijzonder. Hij zei het als algemene waarheid. Eenieder mocht het horen. 'Ook jij moet gewoon een kaartje kopen, idioot. Wilders gooit je gewoon eruit anders.'
Wilders is voor veel mensen de oplossing voor alles. Zwartrijders. Dingen groetende mannen. Bouwplannen voor moskeeën. Haarkleur. Algehele ontevredenheid. Hij past eigenlijk heel goed bij onze klaagcultuur. Ik zal eens een lijstje maken, dat ik in de klaagbox der Nederlanden ga deponeren. Gister heeft hij gesproken in New York. Ik zag zijn peroxidekuif even langsschuiven in het nieuws. Ene Pamela kondigde hem nogal hysterisch aan. Hij was haar hero, zei ze. Zijn toehoorders scandeerden na hem: 'No mosque here!' Dat was zo ongeveer de diepgang van zijn woorden. Helemaal uit Nederland ingevlogen. Na zijn speech verzuchtte Pamela: 'Hadden wij hier maar onze eigen Geert Wilders.' Van mij mag ze die van ons daar houden.

woensdag 1 september 2010

Sterfelijkheid

Mijn moeder is gister overgebracht naar een verzorgingstehuis waar ze zes weken gaat revalideren. Iedere dag krijgt ze fysiotherapie om haar nieuwe been te voegen naar het lichaam dat ze al had. Gisteravond overviel het haar. Ze had ineens heimwee naar huis. Ineens vond ze het heel confronterend 'al die oude mensen met hun gebreken'. De sterfelijkheid overviel haar en het besef dat ze zelf misschien bij die oude mensen hoorde. Hoewel dat er zelfs bij mij niet ingaat. Mijn moeder is nog vol levenslust. Hoewel ze niet bang is voor de dood.
'De dood kan me niks schelen. Pijn, daar zie ik tegenop,' zei ze vlak voor haar operatie. 'Hoewel ik nog helemaal geen zin heb om te gaan, daar niet van.'
Het is een lelijke poets die de natuur ons bakt, dat er een einde aan moet komen. Daar denk ik vaak over na. Het heeft weinig zin om te denken dat er hierna nog iets komt, want vooralsnog is het leven het enige dat we hebben. Zolang we ademen. Het helpt mij ook helemaal niet om na te denken over reïncarnatie of een leven na de dood. Dat vind ik niet troostend. Ik vind het gewoon jammer dat dit ophoudt, hetgeen ik nu allemaal hier doe. Lucht happen. Heel veel van de mensen houden om me heen. Lekker eten. Hoe de stad ruikt na regen. Het enige wat ik misschien prettig zou vinden is dat het misschien wat rustiger wordt in mijn hoofd, dat de gedachten niet maar komen en gaan. Geen idee hoe de gedachten gaan als je dood bent en of ze nog gaan, überhaupt. Maar onmiddellijk denk ik: nee, laat maar komen en gaan die gedachten. Alles liever dan dat het ophoudt. Hoe stom is dat.

dinsdag 31 augustus 2010

Mijn wereld is klein

Ik email met de buurvrouw die op 1-hoog in hetzelfde trappenhuis woont. Ik email ook weleens met de buurman op 2-hoog. Het gaat over huisaangelegenheden. Hoewel ik mijn buren dagelijks hoor kuchen, het hete water aanzetten, de trap oplopen, communiceren we per email omdat het beter voelt dan even naar beneden lopen. Juist omdat we zo dicht op elkaar wonen, gunnen we elkaar de ruimte. We dringen niet fysiek maar virtueel het leven van de ander binnen.

zondag 29 augustus 2010

De mannen van het dak

Het huis lekt. Op zolder staan bakken en liggen handdoeken. De vloer is bedekt met plastic. Opdat het water niet door het plafond de slaapkamer indruppelt. Zoals op een nacht gebeurde. Nog een paar dagen wolkbreukgevaar en dan wordt het weer even lente. De straat zal moeten worden afgezet. Er moet een kraan komen om 'de mannen van het dak' het dak op te helpen. Ze mogen niet door het zolderraampje het dak opklimmen zoals de vroegere mannen van het dak dat deden. Er is een Arbo-wet die dat verbiedt. En wij wachten geduldig tot het weer veilig is om binnen te blijven zoals ons vanuit Den Haag aangeraden is. En hopen dat we niet ongemerkt wegsmelten in ons bed terwijl het water in onze taille druppelt.

donderdag 26 augustus 2010

Hoe Liesje lopen leerde

Mijn moeder had 's nachts vreselijke pijn gehad. Ze had de hele afdeling bij elkaar gegild. De zusters hadden haar apart gelegd. Eén van de zusters had gezegd: 'Het is waarschijnlijk een bloedpropje dat ergens vastzit.'
De andere zusters hadden instemmend geknikt.
'Ik ga nu iets heel onconventioneels doen,' had de zuster die dacht te weten hoe het zat, gezegd. 'Ik heb dit nog nooit eerder gedaan.'
Ze had mijn moeders benen aan haar voeten omhoog getild. Mijn moeder had het uitgegild van de pijn en toen had de zuster haar benen 'Zo wammes,' vertelde mijn moeder later, op het bed laten terugvallen. De zusters hadden rondom het bed gestaan. In afwachting van het aanstaande wonder. De pijn was onmiddellijk verdwenen. De zuster in leiding had gezegd: 'En dat was tevens de laatste keer. Het was een gok, een goed uitgevallen gok.'
Mijn moeder was weer naar haar kamer gebracht en de rust was in het ziekenhuis teruggekeerd.

Ze zat al op een stoel toen we aankwamen. Ik had nieuwe schoenen voor haar meegenomen, van die Portugese die volgens haar nergens meer te krijgen zijn. Ze moesten meteen aan. Ik was de prins die Assepoester de muiltjes aan haar voeten schoof. Toen kwam de fysiotherapeut die met haar ging lopen en op haar nieuwe schoenen liep ze de kamer uit, de gang op, linksaf nog een gang op, krukken vooruit, geopereerde been ertussen, goede been ervoor, krukken vooruit enzovoorts. De trap op moest ze haar beste beentje voor zetten en de trap af juist eerst haar 'slechte been' zoals ze het zelf noemde, maar dat mocht ze niet zeggen van de fysiotherapeut.
'Het is nu weer een goed been.'
Mijn vader en ik liepen juichend achter mijn moeder aan.
'Goed hoor mam.'
In de revalidatiekamer moest ze even fietsen en tussen de brug lopen, zijwaarts, op de tenen en op de hakken, voorwaarts, achterwaarts. Met verbeten fanatisme voerde mijn moeder de opdrachten uit. De fysiotherapeut liet de röntgenfoto zien van haar nieuwe heup, een steeltje met een bolletje erop.
'En hier zit het cement,' wees de fysiotherapeut aan.
'Waarom is dat?' vroeg ik.
'Om het vast te metselen.'
Ik had echt nooit verwacht dat iemand zo snel na een operatie zou kunnen lopen. Mijn moeder is weer als nieuw.

maandag 23 augustus 2010

Uit elkaar

Daar stonden ze, mijn vader en oudste zus, aan het bed van mijn moeder vlak na de operatie aan haar rechterheup. Mijn oudste zus had een prachtige bos bloemen meegenomen. Per dag mochten er maar twee bezoekers aan het bed en de eerste dag was de beurt aan de oudste. Mijn moeder zag bleek. Mijn vader was er niet gerust op. Ik had de dag ervoor mijn moeder rozenkwarts gegeven voor een goede afloop. De stenen lagen nu op haar nachtkastje, naast de vaas met bloemen van mijn zus. Mijn moeder had de nacht voor de operatie niet geslapen en na de operatie had ze flink geslapen maar ze voelde zich nog niet erg goed. De man van mijn moeders kamergenoot zei dat het normaal was dat je je zo voelde. Zijn vrouw kreeg al haar derde heup. Ik moest daarom glimlachen omdat ik meteen een beeld zag van een vrouw met drie heupen.

Mijn vader is nu alleen thuis. Hij eet één van de twintig gehaktballen die mijn zus voor hem gebakken heeft. Mijn ouders zijn voor het eerst in hun leven uit elkaar. Dat gaat zeven weken duren. Gister nog, in de zon op het terras, vertelden ze, elkaar aanvullend, over de film die ze op televisie hadden gezien. En hoe ze gelachen hadden en dat het echt zo'n hoe-heet-zo'n-film was, zo'n film waardoor je je goed voelde. En nu is er in mijn moeder gesneden, voor het eerst in haar leven. Haar lichaam was oud maar nog gaaf. Nu maakt ze zich klaar voor haar tweede jeugd.

zondag 15 augustus 2010

De kiem van een idee

Als je nog naar de film Inception wilt, dan moet je misschien niet verder lezen, tenzij je juist graag over films leest voordat je ze gaat zien. In deze film probeerden de helden een idee in iemands hoofd te planten, via zijn dromen. Het beste was om de kiem van het te ontwikkelen idee in het onderbewustzijn aan te brengen, zodat het kon uitgroeien tot een complex idee, een beklijvend idee dat in de persoon zou gaan wortelen, en tot het uitvoeren ervan zou leiden. Uiteraard hadden allerlei partijen belang bij de uitvoering van het idee. Het ontwerp van de kiem werd gebaseerd op angsten, wensen en herinneringen van de geïmplanteerde. In grote lijnen ging de film over wat we als waarheid beschouwen en wat niet. Vandaag gezien op maximaal scherm. We zaten halverwege de zaal en we zaten bijkans in de film. Leonardo di Caprio was een reus, de ondertiteling reusachtig. Het geluid deed ons trillen op onze stoelen. Het mooiste was dat aan het einde van de film alle personages elkaar in het voorbijgaan aankeken met een ken-ik-jou-niet-ergens-van-blik. Later op straat leek er van alles te kunnen gebeuren en meende ik ieder voorbijgaand gezicht ergens van te kennen. In my dreams.

zaterdag 14 augustus 2010

Vakantie in eigen land

Vanavond voerde ik fluisterend gesprekken over vakanties en zag vakantierecepten op borden werkelijkheid worden. Dat de mensen in Spanje elkaar echt spreken op straat, dat de kroegen daar een verlengde van de straat zijn. Jong en oud. Alles door elkaar en ook dit werd werkelijkheid hier in deze tuin, dichtbij de vuurkorf, zittend aan de picknicktafel, arm aan arm, kijkend in glinsterende ogen en gebruinde gezichten. Dit keer niet verder dan Frankrijk gekomen, zei iemand, geeft niks. Dat boeren in Denemarken vroeger heel graag Hans Christian Andersen op bezoek kregen omdat ze zo hoopten in zijn verhalen terecht te komen. Dat Spanje een wilde tuin is, Frankrijk een meer aangeharkte tuin is en Nederland een extreem aangeharkte tuin is. De tuin waarin wij ons bevonden was duidelijk een stukje Spanje in Nederland.

maandag 2 augustus 2010

De redder

Hij ligt op de trambaan en zij loopt langs.
Hij zegt: 'Dit is geen toeval. Jij moet mij redden.'
Zij schat de situatie in en vraagt of hij in gevaar is dan.
'Ik ben heel erg in gevaar en jij bent de enige die mij kan redden.'
'De enige van alle mensen die hier lopen?' vraagt zij.
'De enige die mij de hand kan toereiken, mij overeind helpt, erdoorheen sleept en mij boven mijzelf uit tilt, maar dat is pas later.'
'Ik wist niet dat ik het in me had,' zegt ze.
'Wij hebben dat in ons.'
Zij strekt haar hand uit.
'Ik wist dat je niet aan mij voorbij zou lopen,' en hij legt zijn hand in de hare.

woensdag 21 juli 2010

Recht

De orthomanuele arts heeft mij zojuist officieel recht verklaard.

zondag 18 juli 2010

De ware

Voor het eerst stap ik het tweedehands boekwinkeltje op de hoek binnen. Ik zoek pulpboeken. Detectiveromannetjes, bouquetreeks, superheldenstrips, vampierverhalen. Tegen de muren staan houten kratten opgestapeld als boekenkasten. In het midden een antieke tafel met stapels boeken. Twee vrouwen zitten met de eigenaar te praten over ziekenhuizen in India. Als ik binnenkom, ziet één van de twee in mij blijkbaar de mogelijkheid om aan het gesprek te ontsnappen.
'Mam, zullen we nou eindelijk eens gaan.'
Kinderen zullen altijd aan hun kletsende moeders blijven trekken, hoe oud beide ook zijn. Als de vrouwen verdwenen zijn, haalt de eigenaar een bord met drie boterhammen uit het aangrenzende keukentje. Hij gaat zitten aan de tafel.
'Ik vergeet helemaal te eten. Ik zit de hele dag te praten.'
'Een dag kan zomaar voorbij zijn.'
'Net als het leven. Hoefde je maar niet te eten als mens,' zegt hij en hij lacht mistroostig naar zijn boterham.
'Dat ziet er anders lekker uit.'
Op zijn bord liggen drie boterhammen met paté en alfalfa. Vegetarische paté waarschijnlijk. Ik struin door de dozen met boeken. Ik leg de boeken die ik wil hebben op tafel. Vrijwel naast zijn bord. Een andere plek is er niet.
'De mensen in die boekjes zijn helemaal perfect. En ze vinden altijd de ware.'
'En ze zijn allemaal heel knap en succesvol.'
'Heb jij de ware al gevonden?'
Ik knik plechtig.
'Hoe weet je dat dan?' vraagt hij.
'Het schijnt dat je valt op iemand die op je lijkt. Dus eigenlijk val je op jezelf.'
Ik weet niet waarom ik zoiets zeg.
'Dat zeg je wel heel makkelijk.'
'Moet je maar eens opletten bij mensen met een goed huwelijk. Die lijken op elkaar.'
'Maar gaan mensen op elkaar lijken net zoals mensen op hun hond gaan lijken of leken ze al op elkaar?'
'Dat kan ook natuurlijk.' Ik moet lachen.
'Maar lijk jij dan op je vriend?'
Ik leg hem uit op wat voor manier mijn cowboy en ik op elkaar lijken, dat we allebei aan één kant van ons gezicht net iets meer verkreukeld zijn bij het oog. Ik links en hij rechts.
'We zijn gespiegeld aan elkaar,' zeg ik. 'En qua karakter zijn we hetzelfde.'
'Ik heb een keer mijn astrologische tweeling ontmoet,' zegt hij. 'Dat is gek hoor.'
'Wat bijzonder,' zeg ik.
'Maar ik was toen heroïneverslaafde dus dat is niet iets om trots op te zijn. Ik nam een taxi weg van haar, maar in het volgende dorp zat ze gewoon weer naast me.'
Ik stel me voor hoe iemand plotseling naast hem verscheen.
'En toen lieten we elkaar ons paspoort zien en we bleken een uur na elkaar geboren te zijn.'
Dan praat hij over een andere vrouw.
'En ik heb de ware ook al ontmoet. Maar er was toen een andere vrouw zwanger van mij. De vrouw op wie ik verliefd werd, was een Française en ik zei dat een vrouw in Nederland een baby van mij kreeg. En ze zei: "Baby? I give you baby." Ze begreep het niet helemaal. Wat ik voor haar voelde was zo heftig. Maar het was mijn plicht terug te gaan. Ik moest het voorbij laten gaan. Dat kan ook, dat je het voorbij moet laten gaan.'
Het is even stil in de winkel.
'Misschien moet het nog gebeuren,' zeg ik.
'Nu nog?'
'Waarom niet?'
'Dat het nog komt?'
'Ja.'
'Dat dat het nog niet was?'
'Precies.'
Ik bekijk zijn gezicht. Zijn ogen die veel, ook onwerkelijke dingen, gezien hebben. De gedachte bevalt hem.
'Dat zou wat zijn. Ze zou hier zomaar binnen kunnen lopen.'
Als ik de winkel verlaat met een tas vol boeken, laat ik hem met een gerust hart achter.

zaterdag 17 juli 2010

Bolero

Op de administratie van Buitenkunst zit een vrouw naast me. Zij op de ene beschikbare computer en ik op de andere. Ik check mijn email. Dan hoor ik de Bolero van Ravel. Ik kan het niet laten om te kijken. De vrouw kijkt en luistert op You Tube naar een filmpje van een Bolero-uitvoering van André Rieu. Ze deint en zingt mee. Als het is afgelopen, luistert ze opnieuw en als ik mijn mail gecheckt heb en vertrek, zit ze daar nog te luisteren en mee te zingen en te bewegen. In de dagen erna zie ik haar een paar keer, de Bolero zingend, over het terrein lopen. Het is een raadsel voor. Tot de presentatie van de dansgroep op de laatste avond. Halverwege de voorstelling komt de vrouw dansend op en begint de Bolero te zingen voor het publiek. Het is best moeilijke muziek om te zingen. Probeer het maar 's. Ik moet gniffelen als ik haar zie en nu pas is het mysterie rond de Bolero-neuriënde vrouw in mijn hoofd opgelost.

woensdag 7 juli 2010

am or

In de winkel met gezonde schoenen is het uitverkoop. Er zijn veel winkelende dames, die elkaar een beetje wegdrukken bij de schappen met afgeprijsde schoenen van gewoonlijk dure merken.
Ik zit op een bankje en pas gympies met een voortreffelijk voetbed. Ik had al eerder gympies van dit merk en ik liep er zo op weg, de winkel uit, de wereld in, bergen op, lanen in, jarenlang, nooit een blaar. Ze zaten onmiddellijk als gegoten. Ik voel dat deze hetzelfde voor mij gaan doen. Mijn oude hebben gaten in de zolen, maar ik draag ze nog, bij gebrek aan beter.
Rechts achter mij zit een vrouw op een bankje schoenen te passen. En er loopt nog een vrouw rond op hakjes in een zwierende jurk. Ze loopt langs de vrouw die schoenen past op het bankje achter mij.
'Heeft u nou een tatoeage op uw kuit?' vraagt de zittende vrouw.
'Ja,' zegt de lopende vrouw.
'Wat staat er nou?'
'Het is de helft van een tatoeage. Ik ben de tweede helft. Er staat or. Mijn man heeft am.' Ze glimlacht gelukzalig.
'O, ik dacht: die heeft haar schoenmaat op haar been getatoeëerd,' klinkt de stem achter me.
'Nou, dat lijkt me niet echt handig,' mompelt de vrouw dansend op haar schoenen. Ze draait haar kuit zijdelings richting spiegel. Nu zie ik de tatoeage ook.
'Mij leek dat juist zo handig,' zegt de zittende vrouw.
De op hakjes staande vrouw is heel lang en heeft kortgeknipt grijs haar. Ze bekijkt haar benen in de schoenen. Op haar linkerkuit zit een kleine tatoeage die een beetje op een omgekeerde 10 lijkt, maar er staat or. Bij haar man staat dus am. Waarschijnlijk op zijn rechterkuit, zodat ze, als ze naast elkaar staan of liggen, samen het woord amor vormen. Ik zie ze samen voor me op het strand, voetjevrijend. Ze eten een ijsco. Voor hen schijnt de zon altijd. De vrouw draait zich sierlijk om, lacht en loopt naar de kassa.
'Mij leek dat nou echt handig,' zegt de vrouw nu tegen mij. Ze tuurt naar de sandalen aan haar voeten.
'Ik zou het doen,' zeg ik en loop op mijn gympies richting kassa.

Ik vertel het vanmorgen aan S. Hij zegt: 'Als Nederland het WK wint, tatoeëer ik Kuijt op mijn kuit.'

zondag 4 juli 2010

Ieder restje van jou

Toen mijn moeder, alweer lang geleden, een hartaanval kreeg, had ze dezelfde leeftijd als haar moeder toen die stierf. In de angstige nacht sprak een stem tot haar. 'Het is jouw tijd nog niet. Je wordt net zo oud als je grootmoeder.' En ze kreeg de exacte leeftijd door.
We zitten te eten in een restaurant.
'Ik kreeg echt een getal door.'
'Dat zou al over drie jaar zijn,' zeg ik. 'Dat is echt te snel.'
'Ik heb daarna niks meer doorgekregen,' zegt ze. 'Ik heb wel extra jaren gevraagd, maar ik weet niet of dat telt.'
'Jij wil mij natuurlijk nog niet achterlaten,' zegt mijn vader.
'Ik voel me soms zo'n last, omdat ik zo wrakkig ben, een last voor jullie,' zegt mijn moeder.
Wij protesteren met veel geluid.
'Ik ben blij met ieder restje van jou,' zegt mijn vader.
Mijn moeder laat een stukje zalm uit haar mond vallen.
'Ik begin er helemaal van te kwijlen.'
Mijn moeder pakt mijn hand en ze aait die zachtjes met haar duim. Kleine snelle bewegingen. Ze doet het vaak de laatste tijd. Alsof ze houvast zoekt. Als kind aaide ik haar. Nu aait zij mij.

woensdag 30 juni 2010

Buitenkunst

De tweede dag schreven twee mensen een stuk. Een echtpaar laat hun kind achter bij Ikea. In de ballenbak. Een favoriete plek voor het achterlaten van kinderen. In toneelstukken dan. De man en vrouw rijden weg richting het Zuiden, maar ze krijgen ruzie. Ze hebben allebei hun eigen opvatting over het achterlaten. De moeder doet het omdat ze haar kind een betere toekomst wenst en de man doet het omdat het kind tussen hen instond. Hij blijkt het kind te hebben gehaat, terwijl zij steeds meer begint te mijmeren over zijn schattige krulletjes, de lieve glimlach, zijn geur. Het echtpaar strandt bij een benzinepomp. Ieder uur horen we een oproep via de autoradio, of de ouders Brammetje willen komen ophalen. Als het drama op zijn hoogtepunt is, volgt op de radio het bericht dat de ouders het kind hebben opgehaald. De vrouw is zo verbolgen over het feit dat twee wildvreemde mensen zich als de ouders van haar kind hebben durven uitgeven dat ze in de laatste scène plankgas terugrijdt richting Ikea. Ze heeft een monoloog over spijt. Vanuit de achterbak van de auto klinkt gebonk. De schrijvers wilden een open einde.

zondag 27 juni 2010

Onder de beuken

We zaten onder de beuken en voelden hoe er op ons neergekeken werd. We wisten dat ze ons in de smiezen hadden en ons bloed al roken. Vanuit de bladeren zouden ze zich op ons neer laten om onmiddellijk met hun kop, kont omhoog, onze huid binnen te dringen. We wisten dat ze graag in beuken schuilden en hoe wij dan zo stom konden zijn om juist daaronder te gaan zitten. We vroegen ons af of het bloed van de ene mens beter smaakte dan van de andere. We kregen overal jeuk en zagen moedervlekken aan voor beten. We vlooiden elkaars oksels en knieholtes. We hadden verschrikkelijke geschiedenissen gehoord van mensen die het overkomen was. We werden steeds banger maar bleven praten tot de duisternis viel.

donderdag 24 juni 2010

Yoga boga

Als ik naar de yoga ga, vraagt hij altijd: 'Ga jij lekker naar de yoga boga?' En hij moedigt mij aan als ik naar beneden loop.
'Zet 'm op bij de yoga boga.'
En soms staat hij nog achter het raam te zwaaien als ik wegfiets. Soms sta ik een moment stil om nog even extra goed terug te zwaaien, voor ik mij richting topsport begeef. Yoga boga klinkt lekker buigzaam en dat is goed want ik buig me suf bij de yoga en hoe vaker ik het doe, hoe buigzamer ik word. Zie mij hier eens mijn neus naar mijn knieën yogabogaan. Mijn kruin naar mijn tenen kauwgummen. Mijn teen in mijn nek stuiteren. Mijn achterhoofd op mijn kuiten plakken.
Drie dagen niet geweest en mijn humeur is niet te harden.

dinsdag 22 juni 2010

Piektijd

Ik zag een film over twee mensen die verliefd op elkaar werden doordat ze een gesprek hadden over wijn. De man kon heel mooi vertellen over de Pinot druif en hoe kwetsbaar die was en dat de wijnboer heel goed voor dit type druif moest zorgen en dat de kwaliteit van de wijn dus afhing van de zorgzaamheid van de boer en zijn gevoel voor de druif. Als kijker wist je dat hij het over zichzelf had; gescheiden man wordt dodelijk verlegen van mooie vrouw die vol aandacht naar hem luistert.
Toen vroeg hij aan de vrouw: 'En jij? Wat heb jij eigenlijk met wijn?'
De vrouw begon niet over een specifieke druif maar meer over wijn in het algemeen. Dat er zoveel verschillende soorten waren en dat ze allemaal hun eigen karakter hadden en dat zij het fijn vond dat ze goed was in proeven. En dat als er een wijn was die zo bijzonder was en als je dan het voorrecht had die te ontdekken, dat er dan een geschiedenis aan vast zat, met wijnboeren en hellingen en weer en wind en regen. En dat een wijn zijn piek kon bereiken om daarna af te takelen. Het leken net mensen die wijnen, zoals zij erover vertelde.
De man vertelde dat hij een Chateau Bladiebla had uit '61 die op zijn piek was. En zij reageerde met een 'No way.' Het was een Amerikaanse film. Ze zei dat hij die wijn als de wiedeweerga moest opdrinken nu die op zijn piek was. Dat het misdadig was als hij zou wachten. Dat de aftakeling ieder moment kon inzetten. Ze waren overigens niet bij hem thuis, want anders had hij die wijn natuurlijk gepakt. Nu het uitgelezen moment voor zo'n puik wijntje gaande was.
'Ik heb steeds het juiste moment afgewacht.' En hij doelde daarmee op een hereniging met zijn ex.
'Het moment dat je een Chateau Bladiebla drinkt, ís het juiste moment.'
Later in de film zag je de man dat juiste moment beleven. Hij maakte de goddelijke wijn soldaat in een hamburgertent, drinkend uit een kartonnen beker. Een nogal sneu hoogtepunt. Hij had het bij de wijnvrouw namelijk goed verbruid, even daarvoor. Maar later leek het toch nog goed te komen tussen deze twee wijnkenners. Gelukkig nog net in piektijd.

vrijdag 18 juni 2010

Wat ik zie als ik luister

Ik luister gesprekken af die ik gehad heb met jongeren het afgelopen jaar. Audio werkt heel anders dan beeld. Ik hoor nu verbanden die ik tijdens het gesprek nooit heb gelegd. Intonaties die boekdelen spreken waar toen misschien een lach me afleidde van de emotie of de intentie van het gezegde. Ik stel me van alles voor bij deze opnieuw beluisterde stemmen. Dit gesprek ging over geloof. Een meisje vertelt dat ze van haar geloof is gevallen sinds haar vader ziek werd. De vader is de week voor het gesprek overleden. Een jongen begint met galmende stem een vergelijking uit de bijbel te citeren. Ik hoor zijn onzekerheid. Hij zit er te dicht bovenop. Hij laat geen ruimte. Hij wil de situatie duiden, overzien, woorden geven. In een tekst zou ik stilte schrijven, voor ik de jongen iets zou laten zeggen. Lange stilte zelfs. Ik stel me zijn vader voor die misschien hetzelfde doet als hij ergens over twijfelt. Er is vast overal een voorbeeld bij te vinden, thuis waar de jongen woont. En de vader zal hem houvast kunnen bieden. Maar hier wordt de verbinding niet gemaakt, want het verhaal komt niet echt aan. Het lijkt de eerste keer dat hij zoiets probeert. Ook vergeet de jongen erbij te vertellen wat de vergelijking betekent. Een ander meisje moet het verduidelijken. Voor iedereen is er onkruid in de wereld en waar het precies zit weet je niet maar je moet ernaast leven. Je wordt daar sterker van.
'Maar waarom zou ik daar dan sterker van worden? Want het is gewoon niet eerlijk en waarom zou ik daar dan nú sterker van worden en waarom bijvoorbeeld niet over een paar jaar?' vraagt het meisje dat haar vader verloor. Het is lange tijd stil.

Het beeld van de vader laat me niet los en ik plaats mezelf in een kelder in een ander tijdperk waar ik deze opnames afluister en vraag me af wat ze dan betekenen. Als ik er zelf niet bij was.

donderdag 17 juni 2010

Gezien worden

Op mijn yogaschool geven meerdere docenten les. Toch weet iedere docent je naam. Al zien ze je voor het eerst. Je schrijft je naam in een boekje en ze kennen 'm. En je bent niet de enige die zijn naam in het boekje zet. Als het heel druk is schrijven wel dertig mensen hun naam in het boekje en dat zijn nooit elke keer dezelfde mensen. Ik sta iedere keer verbaasd als ik mijn naam hoor tijdens de les. Zeker bij docenten die ik nog nooit eerder gehad heb.
'Goeie rechte rug, Gijsje.'
De docenten geven complimenten waardoor je beter je best gaat doen.
'Goede hoge armen, Gijsje.'
Soms schaam ik me, want mijn naam wordt vaak genoemd.
'Mooie gestrekte benen, Gijsje.'
Er zijn mensen die net als ik vrij vaak komen. Zij krijgen ook aanwijzingen en complimenten maar ik heb het idee dat ik net iets vaker gezien word dan de rest. Verder is het een vrij anonieme bezigheid eigenlijk. Er is van tevoren en na de les stilte in de ruimte en na afloop in de kleedkamer ben je te moe om met iemand te praten.

Waar ik in het dagelijks leven onzichtbaar ben, word ik bij de yoga gezien. Op een station word ik met gemak omver gelopen omdat mensen mij niet zien. Maar blijkbaar ben ik een opvallende yogapersoonlijkheid. In meditatieve staat word ik kennelijk wel gezien en heb ik baat bij mijn onzichtbare karakter. Ik doe de oefeningen altijd extra mooi. Dat wel.

dinsdag 15 juni 2010

Negatief van de werkelijkheid

Wij zijn ontevreden met ons land. Het is in onze ogen niet meer hetzelfde. We durven ’s avonds niet meer de straat op omdat we belaagd worden door kluitjes hangjongeren. Onze boeven hebben het beter in de gevangenissen dan onze bejaarden in een verzorgingstehuis. We kijken met weemoed terug naar een tijd dat er nog respect was voor elkaar en oom agent. Toen men voor een ander in de bres sprong en elkaar hielp als er nood aan de man was. Men dronk een pilsje met de buurman en de mensen maakten een praatje met elkaar. Niet over geld of macht, maar over de stand van de wolken (om maar een voorbeeld te noemen).
‘Zie je dat schaap daar?’
‘O, jij ziet er een schaap in, o ja, zo (...). Ik zag zelf een luxe cruiseschip, maar nu zie ik alleen nog maar jouw schaap. Ik krijg zin om een potje te mekkeren.’
‘Van mij mag jij een potje mekkeren, buurman.’
‘Zullen we samen even lekker...?’

Ik sta nog geen uur geleden een brood te kopen en een man met zijn armen vol tatoeages (en daar bedoel ik niks mee) staat op luide toon te verkondigen dat als je rechts stemt je voor Nederland kiest en als je links stemt tegen.
'Want dan stem je voor de islamieten,' voegt hij er nog aan toe.
Omdat ik net van de yoga kom en mij gelouterd voel, vind ik dit teveel vervuiling voor mijn oren en ik begin te neuriën, bestel een brood en maak dat ik wegkom. Maar ik begin er natuurlijk over na te denken terwijl ik naar mijn fiets loop. Misschien had ik hem moeten vragen wat hij vandaag in de wolken zag.

donderdag 10 juni 2010

Ik ben van iedereen

Vandaag ben ik van iedereen. Het begint op het station. Een NS-medewerker vraagt of ik het allemaal kan vinden als ik op het elektronische bord mijn trein zoek. Verder de gewoonlijke glimlachjes van alle kanten. De wereld lacht mij toe. In de tram in Rotterdam vragen twee meisjes aan de conducteur waar een bepaalde halte is. Ze zijn al te ver. Hij raadt ze aan een tram terug te nemen. Als ze zijn uitgestapt, richt hij zich direct tot mij. Terwijl de tram echt vol zit.
'Ze vragen het altijd te laat.'
'Terwijl u het antwoord heeft,' zeg ik.
'Precies. Maar ze hebben geluk,' knikt hij naar de tram die in tegengestelde richting aankomt.
'Gelukkig maar.'
'Als ze meteen naar me toe komen, is het beter. Ik kan niet van hun gezichten aflezen waar ze heen moeten.'
Even later moet ik er al uit. Ik wens hem een goede dag en hij mij een hele goede. Bij de haringkraam staat een vrouw uitbundig te praten met de twee vrouwen die de haring verkopen. Eentje haalt met een scherp mesje de ingewanden uit de vissen, terwijl de ander me vriendelijk toeknikt. Als ik verder loop, hoor ik hakken achter me klikken.
'Sta jij eens even stil.'
Ik sta stante pede stil. Ik luister goed.
'Goed zo, dan kan ik dit even doen,' zegt een vrouwenstem en ik voel hoe mijn T-shirt van onder mijn jas over mijn kontzakken getrokken wordt.
'Zo, nu zit alles weer goed.'
'Dank u wel,' zeg ik.
Een vrouw snelt me glimlachend voorbij, een zakje haringen in haar hand.

woensdag 9 juni 2010

Stemmen

Voor het eerst weet ik niet wat ik moet stemmen. Ik weet ook niet waar, want ik hoor gewoon kinderen in het schooltje achter het huis dat altijd wordt omgetoverd tot stemlokaal. Maar de locatie van het stemlokaal zal ik nog wel kunnen vinden, maar wát zal ik stemmen? En wanneer, want het blijft maar regenen dat het giet. Niet gewoon meer. Dit zijn uitvluchten. Ik heb gister het verkiezingsdebat zitten bekijken en ik vind het allemaal even verschrikkelijk. Ik heb het idee dat we in een tijd leven waarin deze vorm van politiek niet meer werkt. Het gaat meer om de voorman of voorvrouw van de partij die punten scoort dan dat het gaat om de plannen. De verkiezingen beginnen steeds meer te lijken op het songfestival of op een voetbalwedstrijd en dan moeten we vanavond weer kijken wie de meeste punten en dus gewonnen heeft. Even voor de duidelijkheid. Ik heb nooit getwijfeld. Ik heb altijd trouw SP gestemd. Maar nu weet ik niet of ik strategisch moet stemmen, zoals dat heet. Stem ik deze ene keer Cohen? Ik vind het ook weer zo gek om hem daar te zien staan in zijn nieuwe hoedanigheid. Voor mij is hij gewoon onze burgemeester.

dinsdag 8 juni 2010

Verslaafd

Mijn achilleshiel is geblesseerd en ik word daarvoor behandeld bij de fysiotherapeute op de sportschool hier om de hoek. Het schijnt een pees te zijn die door een schacht loopt en als die pees lichtelijk ontstoken is, blijft hij een beetje in die schacht hangen. Ik doe oefeningen, moet mijn hiel afwisselend koud en warm houden, zit met een tennisbal onder mijn bureau mijn voet af te rollen. Ik ga naar mijn (bijna) dagelijkse yoga en de fysiotherapeute masseert kuit en hiel twee keer per week. Het is warm in het hokje waar ze temidden van bodybuilders haar praktijk heeft. De muziek pompt van alle kanten door de gipsen wandjes heen.
'Warm hier hè,' zegt ze.
'Ja, maar ik kom net uit de sauna.'
'O, lekker.'
'Ik doe yoga in de sauna.'
'Dat kan niet gezond zijn.'
'Niet? Het voelt wel gezond,' zeg ik.
'En dan ga je zeker ook iedere dag.'
'Ik probeer van wel.'
'Dat kan niet goed zijn.'
'Niet?'
'Je bent verslaafd.'
'Ja, denk het wel.'
'Dat kan dus niet goed zijn.'
'Maar wat kan ik eraan doen? Af en toe niet gaan?'
'Precies,' zegt ze.
'O, dat doe ik wel hoor, af en toe niet gaan.'
Als ik later met een pak ijs onder mijn hiel thuis op de bank lig, denk ik na of ik wel of niet verslaafd ben aan de yoga en neem mij voor af en toe een dag niet te gaan.

maandag 7 juni 2010

Wat je hoort, ben je zelf

Ik gaf les aan de poppentheaterschool waar ik al eerder over schreef. Het is een cursus van twee jaar voor poppenspelers die zich in allerlei vakken bekwamen en ik geef ze een paar keer schrijfles. Poppenspelers doen over het algemeen alles zelf. Ze verzinnen een verhaal. Ze maken de daarbij horende poppen. Ze spelen zelf. Meestal in hun eentje. Ze maken het decor. Regisseren zichzelf. Ze schrijven hun eigen teksten. Alles doen ze zelf. We spraken over interpretatie van dialoog. We hadden het de keer daarvoor al gehad over tekst en subtekst; dat wat je zegt en dat wat je bedoelt met wat je zegt. Nu hadden we het over hoe de toehoorder de dialoog interpreteert, hoe hij nogal subjectief luistert, beïnvloed door zijn eigen stemmingen, inzichten en bewustzijn. Zo kan een man zeggen: 'Ik hou van je.' Maar de vrouw die aangesproken wordt, hoort: 'Ik ben ten einde raad.' Zij antwoordt: 'Ik wil nog niet samenwonen.' En hij hoort daarin: 'Ik kan pas met je samenwonen als jij iets aan die verschrikkelijke neus van je doet.' Aangezien hij bereid is alles voor haar te doen, zegt hij: 'Ik kan een neusoperatie ondergaan.' Maar zij hoort zijn afhankelijkheid en verstaat dit als: 'Ik kan alles worden wat je maar wilt. Ik zal je overal volgen. Ik zal een blok aan je been zijn.' Zo wordt de dialoog een dans van interpretatie en misinterpretatie. En kun je een hoop geschiedenis en psychologie kwijt in zo'n dialoog. Want, mijn hemel, wat kan er een hoop misgaan in een gesprek. Dat we door alle bedoelingen heen het bos nog zien is een wonder. Soms krijg je gewoon zin om een tijdje te zwijgen.

zondag 6 juni 2010

Post op zondag

Vanmorgen werd er aangebeld. Ik drukte de voordeur open met het daarvoor bestemde knopje.
'Hallo,' riep ik tegen de stille treden van het trappenhuis.
Ik liep een etage naar beneden en ik zag een bos dreadlocks omhoog komen. Het was de buurman van hiernaast die wij de reggaeman noemen, omdat hij altijd heel hard reggaemuziek draait en Jamaicaanse vlaggen als gordijnen heeft.
'Ik heb een pak voor je.'
'O, ik dacht dat het verdwenen was,' zei ik.
'Nee, het ligt bij ons op de trap.'
'O,' zei ik. Hij had het dus niet bij zich.
'Ik moet het even halen. Het ligt er al een week maar ik moet werken, weet je, door de week.'
'Ik loop wel even mee naar beneden.'
Ik bewoog achter zijn dansende draailokken aan. Omdat ik op blote voeten was, liep ik niet mee naar buiten maar wachtte bij mijn voordeur. Hij verdween het aangrenzende trappenhuis in. Ik hoorde hoe hij naar zijn etage liep. Hij nam zijn tijd en ik bestudeerde intussen mijn voeten. Toen hij weer voor me stond, keek hij naar mijn naambordje bij de bel en toen naar het adres op de envelop. En hij overhandigde me het pak.
'Alsjeblieft.'
'Te gek, bedankt.'
Hij bleef voor de deur staan en keek me onderzoekend aan, alsof hij hoopte dat ik het ter plekke zou uitpakken. Alsof het zijn cadeau was. Voor mij. Ik deed de deur voor zijn neus dicht, zei 'doei' tegen het laatste stukje gezicht dat ik door het kiertje zag en rende naar boven.

zaterdag 5 juni 2010

donderdag 3 juni 2010

De griel

En vandaag is het tijd om aandacht te besteden aan een wel heel bijzondere vogel. De griel. Mijn beste vriend en ik ontdekten hem jaren geleden op Texel. Niet in levende lijve maar in een vogelgids. Ik zag de griel op een plaatje en was gelijk verkocht. Bovendien leek de vogel sprekend op mijn beste vriend. Ik liet hem het plaatje zien en zei: 'Kijk, dit ben jij.' We bestudeerden zijn eigenschappen en zijn taal. De griel is geen gezellige vogel, lazen we en als hij niet gezien wil worden, gaat hij plat op de grond liggen en hij roept krulie met een lange úúúúúúú en dan een korte en scherpe lie naar boven.
Tegen de schemer schreeuwen de vogels om hun hardst op Texel en wij oefenden onze krulies die zich als vreemde muziek mengden met het geroep van de andere vogels. De griel nam bezit van ons en mijn beste vriend had zijn ware identiteit gevonden. Een vogel die graag 's nachts leeft omdat hij een niet zo gezellige vogel is. Eentje die plat slaat op de grond als hij het niet naar zijn zin heeft. De vogel die uit Nederland wegtrok omdat hij geen rust kon vinden, omdat de rustige open heidevelden uit ons land verdwenen. De vergelijking was treffend. Er ontstond een heel grielenvocabulaire. 'Dat is wel heel grielig wat je nu doet.' Of 'Ik sla helemaal plat' waar we dan heel verstoord bij keken. Of 'Grote grielen!' als er iets ongelofelijks gebeurde. Of een voorzichtige 'Krulie?' als iets niet duidelijk was. We gebruikten de woorden in onze gesprekken en soms namen mensen ze gewoon over alsof het Griels ze met de paplepel was ingegoten. 'Dat is inderdaad wel heel grielig,' beaamde iemand dan. En dan kregen wij de slappe lach of begonnen als gekken 'Krulie!' te roepen. We verzonnen liedjes over de griel als 'O, grote grielen' of 'Eenzame vogel'. En mijn beste vriend werd meneer Griel.
Vandaag was er in het nieuws dat er een griel gezien is in de Amsterdamse waterleidingduinen vlakbij Heemstede. De komst van deze vogel geeft aan dat er heel misschien weer plaats is voor onzekere, ongezellige vogels in dit land en dat is goed nieuws. Ook al houdt hij niet van gezelschap, is het toch te hopen dat hij een partner vindt om (geforceerd gezellig) kleine grieletjes mee te maken. Dus als je door een rustig open heideveld loopt, wees dan stil en voorzichtig, want broeden is niet makkelijk voor een griel. Wellicht kunnen we dan binnenkort meerdere medegrielen in ons land verwelkomen. Het zal er niet gezelliger op worden maar wel veel en veel gevoeliger.

woensdag 2 juni 2010

Mijn moeder als Annie M.G.

Mijn moeder lijkt op Annie M.G. Schmidt. Dat was als zo toen Annie nog leefde en dat is nu nog zo. Je ziet mensen soms in verwarring kijken. Je kunt hun gedachten raden. Maar Annie is toch dood? Als mijn moeder en ik samen zijn en we komen bekenden van mij tegen dan zeggen die: 'Daar zitten de twee schrijvers.' Dat is drie keer gebeurd. Ik zweer het. Onbekenden klampen haar aan en zeggen: 'U lijkt heel erg op Annie M.G. Schmidt.' Standaard zegt ze de laatste jaren: 'Maar ik ben niet zo grappig hoor.' Ik vind dat ze zichzelf daarmee tekort doet. Ze is het gaan zeggen sinds ze met mijn vader op een groepsreis is geweest. De mensen in de groep hadden verwachtingen rondom haar vermeende grappigheid. 'Ze wilden de hele tijd dat ik grappig deed en ze gingen me zelfs Annie noemen.' Mijn moeder is best heel grappig en heeft fantasie genoeg om hele leuke verhalen te vertellen, maar als ze moet opboksen tegen een beeld dat mensen van haar maken, slaat de onzekerheid toe en is het gedaan met de grappigheid.

dinsdag 1 juni 2010

Stelen van jezelf

Ik ben een oud stuk een beetje aan het omwerken tot een nieuw stuk en ik voel me schuldig, hoewel ik tevreden ben over het nieuwe stuk. Het is alsof ik het oude stuk overhoop haal. Dat had al bestaansrecht en stond op zichzelf. Ik was ook tevreden met het oude stuk. Nu gebruik ik elementen die ik bij een nieuw personage laat horen en ik krijg het oude personage niet uit mijn hoofd. Bob Dylan, een grote held van mij doet het altijd. Hele coupletten verandert hij in zijn songs. Hij gooit muziekschema's om en als je naar een concert van hem gaat, zijn de nummers altijd anders, in een nieuw jasje, op een nieuwe manier bezien. Zijn concerten zijn interessant en zijn songs blijven levendig. Hij dwaalt rond in zijn eigen onuitputtelijke universum van songs. Hij bekijkt zijn gedachten van alle kanten. Er duiken vaker zinnetjes uit andere stukken in nieuwe stukken van mij op. Het is alsof het een eigen idioom wordt; de taal en de werelden die je schept. Even een tijdje laten liggen maar.

maandag 31 mei 2010

Buren en post

Ik was even van de aardbodem verdwenen. Deadline. Toen ik vanavond thuis kwam lag er een briefje op de trap van de pakketservice van TNT post. Het pakket is bezorgd bij uw buren op huisnummer zoveel, las ik. Ik ging weer naar buiten en belde aan bij huisnummer zoveel. Piepend ging het schuifraam op tweehoog open. Een meisje van een jaar of tien hing uit het raam.
'Er is een pakket voor mij bij jullie bezorgd,' schreeuwde ik naar boven.
'Wat?'
'Er is een pakketje van mij bij jullie bezorgd.'
'Ja, dat klopt, we hadden het op de trap gelegd maar nou is het weg.'
De vader van het meisje kwam ook nog even uit het raam hangen.
'Wij hebben het niet,' zei hij.
'Ik zal nog even op mijn trap kijken,' zei ik. Het drong nog niet helemaal tot me door wat ze zeiden. Ik ging mijn eigen huis weer binnen en keek op alle etages of mijn pakketje misschien op de trap lag. Ik wist ook wat er in het pak moest zitten, want op het briefje stond ook de afzender vermeld. Het waren boeken die me een tijdje geleden beloofd waren. Mijn pakketje lag niet in ons trappenhuis. Ik moest even alles op een rijtje zetten. Het pakket was bij de buren bezorgd waar ik had aangebeld. Ze hadden beaamd dat ze het gehad hadden, beweerden dat ze het op hun trap hadden gelegd en dat het daarna verdwenen was. Wat zou er met mijn boeken gebeurd zijn?

vrijdag 28 mei 2010

Audience-gevoelig

De stilte van de ochtend. Het huis slaapt nog. Ik heb het straalkacheltje op mijn benen gericht, zodat ik nu warme voeten heb. De kindertjes zijn het schooltje in, de ouders weer naar huis en ik zit hier in mijn werkkamertje. Het fijnste werkkamertje ooit. Met openslaande deuren naar het balkon waarop ik mijn handen kapot heb gewerkt door minstens twintig lagen verf af te krabben, zodat de deuren nu weer van blank hout zijn. Ik heb een zomer mijn handen niet kunnen gebruiken, maar het resultaat blijft prachtig. De rest van de kamer is spierwit. Nu al koffie. Vroege koffie. En ananas en yoghurt als ontbijt. Boven mijn hoofd hangt: Ever tried. Ever failed. No matter. Try again. Fail again. Fail better. Het is een citaat van Samuel Beckett uit Worstward Ho. Ik vind een citaat boven de computer eigenlijk onzin, alsof die de betekenis van wat ik hier doe zou verwoorden. Ik heb 'm niet eens zelf gevonden. Hij lag al uitgetypt en al op een A4tje in een lokaal op school. Als ik het lees -als ik het al lees- denk ik niet: ach, dat is een waar woord of zo. Het hangt er eigenlijk voor als er eens iemand mijn kamertje zou binnenlopen. Diegene zou dan kunnen zeggen: 'Hee, maar wat heb je daar nou voor ontzettend interessant motto boven je bureau hangen.' En opeens moet ik aan een woord denken. Het woord audience-gevoelig dat wij tijdens een les werkelijkheidservaring verzonnen. Dat je je opeens bewust bent dat je bekeken wordt en dan net even anders doet. Je ziet op televisie wel eens werkkamers van schrijvers. Als quiz wordt het dan gebracht. Van welke schrijver is deze werkkamer? Je ziet dan echt hele luxe werkkamers met antieke bureaus en zware gordijnen. Heel audience-gevoelige kamers eigenlijk. Ik ben blij met mijn uitklapbureau van Ikea en mijn staande rijstbollamp. Maar waarom schrijf ik dit dan op?

dinsdag 25 mei 2010

Geruisloos verdwenen

Vandaag was mijn laatste lesdag ooit op de schrijfopleiding. Plechtig vertelde ik het de groep en de reacties waren hartverwarmend. Ik begon bijna te twijfelen tussen spijt en opluchting, maar de opluchting won.
Omdat er vanmorgen iets vreemds was met de roosters op school, moest ik lesgeven in het troosteloze kantoorachtige gebouw met TL-licht en bedompte systeemplafonds. De dependance. Ik kreeg er als student al hoofdpijn of vlekken voor mijn ogen. Systeemplafonds zijn volgens mij uitgevonden door iemand die met zelfmoordneigingen naar een plafond lag te staren en toen bedacht dat hij deze ervaring met de mensheid wilde delen. Het was bloedjeheet in conferentiekamer 3.21. Ik kon niet bij het kleine raampje omdat daar stoelen en tafels tegen opgestapeld stonden. En toen zag ik het. De boekenkast vol met ringbanden. Het bleken alle scripties en afstudeerstukken van voorgaande jaren. De jaartallen gingen terug tot 1983. Er hing een getypt briefje bij dat alles op alfabet was gerangschikt en mocht je interesse hebben, je contact kon opnemen met de bibliothecaresse. Ik moest snel handelen. Ik was vroeg. De studenten waren nog niet gearriveerd. Ik zocht snel langs het alfabet. KOO - LEV. Ik vond mijn afstudeertekst en mijn scriptie terug. Als een behendige dief liet ik de documenten in mijn tas verdwijnen. Die hadden nu lang genoeg rondgezworven op deze plek. Een geniale actie op mijn laatste dag hier. Het had zo moeten zijn. In de pauze schreef ik in mijn boekje: Ik ben hier verdwenen. Ik heb alles wat aan mij deed denken weggenomen. Nu kan ik beginnen. Geruisloos. Zelfs mijn afscheidsfeestje moet vandaag gevierd zijn zonder mij.

maandag 24 mei 2010

Achilleshiel

'Ik heb last van mijn achilleshiel,' zeg ik.
Mijn moeder lacht.
'Ik heb overal pijn,' zegt ze. 'Ik begin 's morgens met oefeningen in bed voor mijn schouder. Dan doe ik oefeningen op de overloop voor mijn lies. Dan ga ik lopen en dan kom ik total loss thuis en dan is de ochtend al voorbij en heb ik nog niet eens ontbeten.'
'Kom ik aan met mijn achilleshiel.'
'Je vader moet de was ophangen want dat kan ik niet meer.'
'Dat is dan weer in jouw voordeel,' grap ik.
'Die zit nu op zijn knieën het mos tussen de tegels van het terras weg te halen. Dat kan hij allemaal nog.'
Ik vraag naar mijn vader.
'Pap, wat gebeurt er met Pinksteren?'
'Maria en de apostelen hoorden ineens een geruis en toen zagen ze allemaal kleine vlammetjes die als tongetjes boven hun hoofden bewogen. Er was een groot internationaal gezelschap in Rome die dagen. En de apostelen begonnen te prediken en al die mensen konden de preken in hun eigen taal verstaan. Eigenlijk een soort omgekeerde toren van Babel.'
'Is dat dan ook in tongen spreken?' vraag ik.
'Tong en taal is in veel talen hetzelfde woord.'
'Heb je nog iets gedaan met Pinksteren?'
'Ik ben gister naar de kerk geweest. Je moeder vindt het te ver lopen. Ze gaat wel weer mee als ze weer beter loopt.'

zaterdag 22 mei 2010

Zonnige zaterdag

Langs het water stromen de terrasjes vol. Bootjes varen traag voorbij. Bij de supermarkt lijkt het een bijeenkomst van ouders bij een uitgaande lagere school. De pinksterboodschappen moeten worden gedaan. Een vrouw drukt bij de kassa haar winkelwagen zo mogelijk door die van ons heen. Ze wil per se afrekenen bij de laatste kassa, Zonder schaamte dringt ze voor ons, ook al stonden wij er eerder. Volgens haar staan wij in een andere rij. Wij sluiten achter haar aan. Met de tassen aan het stuur fietsen we terug naar huis, langzamer dan de bootjes op het water. Door het Vondelpark, via de tennisbaan, door de straat met leuke restaurantjes en we prijzen ons buurtje. Ik heb jarenlang in een andere buurt gewoond, maar ik heb me nergens meer thuis gevoeld dan hier. We vullen ijskast en vriezer met eten en ik maak koffie die we op ons zonnige balkon opdrinken.

donderdag 20 mei 2010

Bewegende wereld

Het ritueel van fruit snijden voor de fruitsalade in de trein morgen. De meeneemlunch. Een soort picknicken op werkdagen. Ik herinner me de vakanties vroeger waar tijdens de stops, als mijn vader de benen moest strekken, de koude kippenpootjes en hardgekookte eieren uit het Tupperware tevoorschijn kwamen. Vooral die eieren zaten in zo'n kunstig doosje waar zes eieren in konden rondom een apart vakje met een minuscuul dekseltje waar het zout in kon. Eten smaakt echt beter als het van gisteren is. Ik herinner me het geblokte picknickkleed en hoe mijn moeder het brood sneed, tegen haar borst geklemd, met het mes van zich af. Vertrouwd moederbeeld. Hoe ze daar hompen kaas bij hakte en die op het brood legde en hoe je dat at, homp brood met kaas in de ene en het eitje in de andere hand. Ik kwam altijd met moeite de auto uit tijdens de rustpauzes waarin de benen gestrekt moesten worden. Ik lag altijd op de achterbank te dagdromen. Ik vond het vervelend als het rijden stopte. Ik wilde het liefste altijd maar blijven doorrijden om uit het raam het landschap voorbij te zien trekken, zonder dat ik daar zelf moeite voor hoefde te doen. Een levende film. Nog steeds hou ik van het zitten in rijdende voertuigen en het kijken naar de voorbijtrekkende wereld en voelt het naar als het plotseling stopt. Als ik een baby was, zou ik op die momenten beginnen te huilen.

zaterdag 15 mei 2010

Zelfbeeld

Ik ben aan het lijnen en veel aan het lezen en zien over anorexia. Dat is geen goede combinatie, maar het is toevallig zo gekomen. Gister had ik met iemand afgesproken in een koffiehuis. Terwijl ik over de drempel stapte, verdween ik in een wereld van vers gebakken muffins en appeltaart. De lucht nam mij volledig in beslag. Ik bestelde mijn saaie espresso en sloeg het daarbij geserveerde advocaatje met slagroom af. Vind ik sowieso niet zo'n goed idee om 11 uur 's morgens. Ik vind het nu als lijnende persoon nog eens extra niet zo'n goed idee. Het voelt als een persoonlijke test. De wereld stelt mij op de proef. Toen mijn afspraak aanschoof, moest ik het echt kwijt. Ik stak van wal over anorexia en vervolgens namen we verschillende diëten door. Zij gezellig aan haar romige koffie verkeerd en ik aan mijn magere espresso. Ik heb ooit lang geleden het citroensapdieet gedaan. Ik viel er niet echt van af, want volgens mij ging mijn lijf in spaarstand, maar ik stopte wel met roken. Tijdens dat dieet las ik 's nachts in bed kookboeken. Toen ik na het dieet met een vriend uit eten ging, keek ik het eten bij de mensen van hun borden af terwijl ik op mijn eigen eten wachtte. Ook anorexia-patienten zijn geobsedeerd door eten, omringen zich soms zelfs graag met eten, kijken geïntrigeerd hoe patat gebakken wordt. Ze eten het alleen zelf niet. Als familie hen smeekt te eten, kunnen zij zeggen: 'Ik zou wel willen, maar ik kan het niet.' De angst voor eten in hun lichaam is enorm. Plus dat ze zelf iets anders in de spiegel zien dan anderen zien. Dat is ook nog een ziekte. Body Dysmorphic Disorder, BDD. Mensen die in de spiegel kijken en een monster zien of een lichaamsdeel van zichzelf verafschuwen. Zelf zie ik in de spiegel ook niet echt of ik te dik ben of niet. Ik zie het alleen op de weegschaal. En op foto's van mezelf. Bovendien bekijk ik mezelf heel vaak in de spiegel of in de winkelruit of in het raam van trein of tram. Heb ik een vertekend zelfbeeld? Ben ik geobsedeerd? Eén van de symptomen van BDD is dat je er heel veel over leest en dat je je afsluit van de wereld. Wat als ik concludeer dat ik beter even niet naar een koffiehuis kan gaan met overweldigende bakluchtjes, is dat een eerste teken? Gelukkig kan ik mijn interesse scharen onder het hoofdstuk research. Vannacht heb ik gedroomd van hele magere lijven waar de botten aan alle kanten uitstaken.

donderdag 13 mei 2010

Dit is wat ik ervan weet, van Hemelvaart

Vandaag vaart Jezus ten hemel. Hij wordt Gods rechterhand. Hij is al die tijd op aarde geweest. Hij is 33 jaar als hij het fysieke leven verlaat. Al een flinke tijd daarvoor heeft God de eerste mens Adam gemaakt en uit zijn rib Eva. Met het maken van de eerste mens kondigt God de komst van de Messias aan. Ooit zal er een mens zijn, de zoon van God die plaats zal nemen naast God. So far so good, maar dan gaat het mis. De engelen namelijk, waren tot nu de hoogste wezens geweest onder God. En die plaats naast God in de hemel was aan Lucifer beloofd. God schept op de zesde dag een nieuw wezen, naar zijn evenbeeld. Lucifer, die God als zijn vader ziet, kan dit niet verkroppen en ontketent een hemelse oorlog die hij enerzijds wint en anderzijds verliest. Hij krijgt het voor elkaar om die verachtelijke mens uit het paradijs te verjagen, door hem van de boom der kennis van goed en kwaad te laten eten. Het eeuwige leven wordt de hoogmoedige mens hiermee ontnomen. In ruil voor deze wraak levert Lucifer zijn hemelse positie in en hij zal vanaf die dag zijn onderkomen moeten zoeken in de krochten van de hel. Jezus sterft voor onze zonden met Pasen, staat 3 dagen later op uit de dood. Hij blijft niet op aarde maar vaart na 40 dagen ten hemel. Vandaag dus. En over 10 dagen, met Pinksteren, komt hij als heilige geest en trooster terug op aarde. Op deze manier kan God in onze harten wonen.

[...] Plotseling kwam er uit de hemel een geluid dat leek op een enorme windvlaag en het vulde het hele huis, waar zij zaten. Op hun hoofden vertoonden zich tongen als van vuur, die zich verdeelden, en het zette zich op ieder van hen. Zij werden allen vervuld met de Heilige Geest en begonnen in vreemde talen te spreken, zoals de Geest het hun gaf uit te spreken [...].

Dat wordt niet zomaar een dag. Net als vandaag.

Vroeger stonden de mensen op Hemelvaartsdag al om drie uur 's nachts op om zingend en blootsvoets op het gras te dansen. Dat heette dauwtrappen. Het dauw op het gras zou een zuiverende werking hebben.

dinsdag 11 mei 2010

Anorexia

Ik heb vandaag een documentaire zitten bekijken over een achtjarig meisje met anorexia. Ze vertelt dat ze eerst stopte met snoepen. Vervolgens zegt ze tegen haar moeder: 'Ik ga stoppen met junkfood.' Daarna wordt ze vegetariër en tenslotte stopt ze helemaal met eten. Het wordt zo erg dat ze moet worden opgenomen in het ziekenhuis. Ze houdt daar zelfs de sonde dicht die haar vloeibaar voedsel toedient. Als ze wat is aangesterkt, komt ze in een kliniek waar allemaal tieners wonen met hetzelfde probleem. Meiden die veel ouder zijn dan zij. Omdat ze zo jong is, vindt ze het moeilijk om te reflecteren op zichzelf en antwoord te geven op de vraag waarom ze ooit begon met diëten. De oudere meisjes weten dat beter. Die hebben problemen op school. Hun ouders zijn gescheiden of de druk van presteren is te hoog. Een kenmerk van anorexia-meisjes is bovendien dat het perfectionisten zijn. In hun leven maken ze iets mee waar ze geen controle over hebben. Door te reguleren hoeveel ze eten, creëren ze controle. Eigenlijk heeft de stem in hun hoofd de controle. Die roept: 'Nee, dat ga jij echt niet eten.' Of: 'En nu moet je een uur lang de trap op en neer rennen.' In de kliniek moeten ze eten en hun bord zelfs uitschrapen en aflikken zodat ze niet met de smoes kunnen wegkomen dat die zes laatste kruimeltjes toch weer zoveel calorieën scheelt. Er is geen onderhandeling mogelijk. De begeleiders houden de etende anorexia's scherp in de gaten. Er mag geen eten in mouwen verdwijnen. Er mag niet gespeeld worden met het eten. De meisjes eten vol afgrijzen hun bord leeg.

maandag 10 mei 2010

Lot

Om 17:55 uur vertrok ik met de trein van Utrecht naar Amsterdam. Ik ging zitten waar een krant op het tafeltje lag. Op de voorpagina stond: 'Vanavond trekking staatsloterij. Tot 13:00 uur kunt u nog een lot kopen.' Ik las mijn horoscoop die verderop in de krant stond. 'Vandaag heeft u geluk. U kunt best een gokje wagen.' Ik had een lot moeten kopen, dacht ik. Maar het was al ver na enen. Toen ik in Amsterdam uitstapte, zweefde het getal 7 voor mijn geestesoog, en ik bleef aan het getal 7 te denken. Als ik vanmorgen nou maar een lot had gekocht... ik had een lot moeten hebben met als laatste getal 7... mijmerde ik. En ik dacht aan een cruise op de Nijl. Toen ik thuiskwam lag er een staatslot op tafel met als laatste getal een 7.

donderdag 6 mei 2010

Het grote wijde open

Er zijn doden herdacht. De bevrijding is gevierd. We vieren onze vrijheid. Dat we vrij zijn. Dat we mogen zeggen wat we willen. We zeggen zelfs wat we denken. Ik zeg eigenlijk nooit wat ik denk. Iets denken is iets anders dan iets zeggen. Als iemand vraagt: 'Waar denk je aan?' weet ik het meestal niet.
'Eeeeh, ik geloof dat ik- Wacht effe.'
Vrijheid van meningsuiting. In het Engels is het freedom of speech, komt het woord mening niet aan te pas. Onze meningencultuur viert hoogtij. Iedereen heeft overal een mening over. Ook al weet je helemaal niks zinnigs te zeggen over een onderwerp.
'De natuur is ook maar betrekkelijk.'
Ik probeer te bevatten wat vrijheid is. Ik vind de menselijke soort namelijk de minst vrije diersoort die ik bedenken kan, op de arme varkens en kippen en kalfjes na die opgroeien in de bio-industrie. Die zijn nog minder vrij dan een huisdier aan een riem. Maar zij, die niet eens weten dat er een buiten bestaat, zijn dan ook opgesloten door toedoen van de menselijke soort. Wij sluiten graag op. Onszelf ook. We bouwen huizen met verschillende kamers en we maken tuintjes met hekken eromheen. Vervolgens richten we onszelf af en we doen allemaal heel erg ons best om de best afgerichte mens te zijn. We mogen niet uit vuilnisbakken eten. We mogen niet in een tentje wonen, zomaar ergens in een open veld. We mogen niet op bankjes slapen in de stad, die er toch neergezet zijn om op te zitten als wij onszelf uitlaten. We kaderen onszelf in en soms gaat dat dan heel erg mis en dan hebben we een meningsverschil en dan slaan we elkaar de hersens in en dan meten we onze mate van beschaving aan elkaar. En dan moeten we onze beschavingen herdefiniëren. Dat levert weer nieuwe regels op waar we ons vervolgens aan houden. En zo voldoen we steeds aan onze eigen opgelegde maatstaven. Maar wat is nou echt vrijheid? Bestaat het wel?

dinsdag 4 mei 2010

Hokey-Pokey

Ik heb spijt dat ik mijn moeder verteld heb dat ik het gesprek, na haar boodschap op mijn voice-mail, ook heb gehoord. Ik ben bang dat ze vanaf nu onmiddellijk ophangt nadat ze me ingesproken heeft. Vanmorgen belde ze namelijk, sprak heel netjes in en hing op. Geen nagesprek met mijn vader. Ze wilde me iets vertellen, zei ze. Ze klonk opgetogen.
Een uurtje later bel ik terug. Mijn vader neemt op. Ook hij klinkt opgetogen want zijn stem is twee octaven hoger dan gewoonlijk. Mijn vader steekt gelijk van wal.
'Ja, je moeder had je gebeld om te vertellen dat we je toch vakantiegeld willen geven dit jaar.'
'Dat hoeft toch niet. Ik heb al zoveel van jullie gehad,' zeg ik.
'Dat zijn wij allang alweer vergeten hoor.'
'Ik vind het echt te gek,' zeg ik.
Ik ben er stil van.
'En dan wens ik je een hele fijne bevrijdingsdag.'
'Dat zal zeker lukken,' zeg ik.
'Dag lieverd.'
Ik denk na over deze twee mensen die elkaar ontmoetten op de bevrijdingsfeesten. Ze zongen en dansten de Hokey-Pokey samen. En nog altijd.

You put your right foot in
You put your right foot out
You put you right foot in
And you shake it all about
You do the Hokey-Pokey
And you turn yourself around
And that's what it's all about

maandag 3 mei 2010

Rommelen

Van de week had mijn moeder ingesproken op de voice-mail, maar ze vergat op te hangen en het gesprek van mijn ouders dat volgde, werd ook opgenomen.
'Ze heeft nu een antwoordapparaat van telfort.'
'Hoe weet je dat?' vraagt mijn vader.
'Dat zegt ie. Haar andere telefoon werkt niet en nu heeft ze telfort. Goochem van d'r, vind je niet?'
Mijn vader begrijpt dit net zomin als ik, want hij reageert met hoogstens wat gemompel. Mijn moeder maakt van alles onmiddellijk haar eigen verhaal. Zij duidt het leven om het te begrijpen. Net als ieder mens, alleen is zij er wat sneller en bedrevener in, zodat 'hoe het echt ging' vaak moeilijk te achterhalen is. Mijn vader zegt vaak tegen haar: 'Zo ging het niet helemaal, maar het is wel beter voor het verhaal.'
Het gesprek gaat verder.
'Nou ben ik vergeten mijn mond af te vegen aan dat servetje,' hoor ik mijn vader zeggen.
'O, en waar heb je het nu aan afgeveegd?'
'Nu zit hier chocola op.'
'Niet zo goochem van je.'
En zo zie ik ze in gedachten gezellig rommelen met zijn twee. Een dag later ben ik bij ze op bezoek. De tuin achter het huis is net helemaal zomerklaar gemaakt en ziet er prachtig uit. Er is nieuw gras gezaaid.
'Er zijn drie kruiwagens mos uitgehaald.'
We drinken Crodino. Ik drink alleen Crodino bij mijn ouders. En we eten pasta met zalm. We maken een uitnodiging voor mijn vaders verjaardag die hij samen met mijn nichtje viert. Ze worden samen 99 jaar. 's Avonds belt de Somalische schoonmaakster dat ze morgen niet kan, waarop ze allebei opgelucht reageren.
'Kunnen we lekker uitslapen,' zegt mijn moeder.
'En daarna lekker een beetje rommelen,' zegt mijn vader.
Ze kijken nu al uit naar morgen.

zondag 2 mei 2010

Hollen of stilstaan

Mijn leven is een poging tot het vinden van rust. Ik ben zo iemand die zichzelf in stiekeme dromen met haar handen in de aarde ziet wroeten. Uiteindelijk. Als ik een oude vrouw ben. En ik word heel oud. Lange tijd had ik naast het schrijven allerlei kleine bezigheden. Ik probeer afscheid te nemen van de versnippering van mijn bestaan. Dat gaat geleidelijk. Qua concentratie is het heel moeilijk om de ene dag les te geven, de volgende dag in een commissie subsidie-aanvragen te bespreken en de dag daarna de draad weer op te pakken van het schrijven. De dynamiek van twee dagen drukte vergt andere talenten en het geschrevene vraagt na een rustpauze om andere wetten. Als ik mijzelf kon klonen, zou dat de oplossing zijn geweest. Waar was ik gebleven? Ik heb nooit een van tevoren vastgelegd plan. Aan mijn muur geen tijdbalk of verloop van het verhaal, geen beschrijvingen van personages. Niet in mijn leven en niet in mijn verhalen. Ik begin ergens. Ik heb een vaag idee. Ik begin met een titel of een gedachte. Vandaag schrijf ik in mijn schrift: een onbetrouwbaar iemand en morgen als ik ga werken, weet ik niet meer wat de achterliggende gedachte was. Ik kan die niet meer pakken. Pas als mijn werk in een stadium komt waarin het vorm krijgt, kan ik makkelijk verder aan hetgeen ik eergisteren liet liggen. En er is een hoop bijgeloof. Als ik dit zo opschrijf, bestaat het en kan ik het niet meer veranderen. Dus ik moet wel heel goed weten wat ik opschrijf en hoe. Op dit moment is er alle rust voor het schrijven maar nu moet ik die alleen nog vinden. Ik ga iedere dag braaf naar yoga en begin 's morgens op een vaste tijd met schrijven. Internet is de eerste uren verboden. Behalve als ik iets op moet zoeken en reken maar dat ik vaak iets op moet zoeken. 's Nachts werken kan ook. Dan is het stil en bestaat er geen tijd. Verkeren in een halve droomtoestand waar ik erg van hou. Er is wat mij betreft niet echt een methode, althans ik heb 'm nog niet gevonden.

zaterdag 1 mei 2010

Impressies van koninginnedag

Het was best rustig en lekker opgefrist door de regen. Twee meisjes in het Vondelpark verkochten ansichtkaarten die ze zelf getekend hadden. Ze hadden ook een brievenbus. Ik koos er één van een uiltje waar 'With love' bij stond. Ik kreeg een krukje aangeboden om aan de campingtafel mijn kaart te schrijven. Ik adresseerde hem aan mijn ouders en zat even in een Droste-effect toen ik schreef dat ik de kaart van twee meisjes kocht in het Vondelpark. Ik deed de kaart op de bus. Even verderop kocht ik een zelfgetekende strip van een meisje die een hele map vol strips had. De strip hangt boven mijn bureau en gaat over een draakje dat uitglijdt over een bananenschil. Het zijn drie plaatjes met eerst, daarna en ten slotte eronder geschreven. Daar moest ik om gniffelen. We zien in het eerste plaatje een draakje dat een aardbei eet. Hij zegt dat er niets gezonder is dan fruit. In het tweede plaatje glijdt hij uit over een bananenschil en zijn aardbei vliegt door de lucht. In het derde plaatje vraagt hij zich af -met zijn hoofd in verband, zijn arm en been in het gips en steunend op een wandelstok- hoe gezond fruit nou eigenlijk is.









vrijdag 30 april 2010

Chat roulette

De nieuwe, al niet meer zo nieuwe, hype op internet. Een 17-jarige Rus verzon het. In de spelregels staat dat je je kleren aan moet houden, maar daar houden mensen zich niet aan. Je moet eerst door wat piemels heen klikken om misschien een leuk gesprek met iemand te hebben. Over het algemeen zitten mensen verveeld naar hun scherm te staren en stellen ze je vragen als: hoe gaat het, waar woon je en hoe oud ben je. Zo wordt chat roulette stomvervelend. Het leukste is als mensen gewoon zin hebben in een beetje gekkigheid. En dat je lustig kan ondertitelen wat je ziet. Dan krijg je de grappigste gesprekken. 'Wat kijkt je man chagrijnig,' tegen een vrouw die met haar man onderuitgezakt op de bank zit, die antwoordt met 'Ja, zo is hij nou eenmaal,' om vervolgens op te sommen wat ze met hem te stellen heeft. Of: 'Je houdt toch wel je kleren aan, hè?' tegen een man die daarop reageert met: 'Je bent de eerste normale persoon die ik spreek.' Het is leuk om eerst streng de camera in te kijken en dan de durfal uit te hangen. Omdat het anoniem is. Chatten is net toneelschrijven. Je gaat verder dan in het dagelijks leven. Ook leuk zijn de chat roulette filmpjes op You Tube. Er zijn een aantal muzikanten die al improviserend liedjes maken op wat ze zien. Zo geeft de pianoman Merton zelfs live concerten op chat roulette. Een zaal vol publiek kijkt met hem de huiskamers van mensen in. Ik zou me kapot schrikken als ik ineens werd toegejuicht door een zaal vol mensen uit North Carolina. Andere muzikanten houden het kleiner en zitten in hun eentje thuis. Als zo'n muzikant een piemel voorgeschoteld krijgt, improviseert hij er net zo lustig op los. Het publiek in North Carolina juicht zo mogelijk nog harder voor de piemels dan voor de geklede mens. Het zijn de piemelmannen die het snelst doorklikken. Zij willen liever niet bezongen worden.

donderdag 29 april 2010

Deadlines

Ik bel mijn beste vriend om hem te feliciteren met zijn verjaardag.
'Ben ik echt jarig vandaag? En hoe oud ben ik dan geworden?'
We hebben een gesprek over deadlines. Ik zeg dat mijn leven aan elkaar hangt van deadlines. Dat als een arts mij ooit de definitieve deadline zal aankondigen, ik nog zal zeggen dat ik die echt niet ga halen. Er is een Amerikaans liedje 16 Tons, vertelt mijn vriend, over mijnwerkers die hun loon uitbetaald krijgen in fiches waarmee ze alleen boodschappen kunnen doen in de company store, waar alles zo duur is, dat ze meer uitgeven dan wat ze verdienen, met als gevolg dat ze in de schuld komen te staan bij het bedrijf waar ze voor werken. Een soort instortende economie eigenlijk. De cruciale regel in het nummer is: Saint Peter, don't you call me, I can't go - 'cause I owe my soul to the company store. En zo lachen we over het naderende einde, op de verjaardag die hij vergeten was. En straks gaan we hem een (puntje puntje puntje) cadeau doen, maar dat weet hij nog niet.

woensdag 28 april 2010

Alles uit de kast

Ik vond taugé en prei en witlof in de koelkast. Er stond een blikje linzen in de kast. Er lag nog een gehaktballetje in de vriezer. Ik had geen zin om boodschappen te doen en roerbakte alles in de wok. Ik roerde er wat zelfgemaakte chutney van mijn zwager doorheen. En toen bleek ik echt iets heel lekkers klaargemaakt te hebben. Bij toeval. Dit is dan ook geen recept.

dinsdag 27 april 2010

Achteruitkijkspiegel

Ik sta op een matje vanuit mijn middel zo ontzettend lang te worden dat ik het plafond raak. Druppels zweet vallen op mijn azuurblauwe badhanddoek met gele bloemen. Na een serie staande oefeningen draaien we als synchroonzwemsters (m/v), alle neuzen dezelfde kant op, naar het raam. Aan de overkant van het water zie ik drie zwervers bij een bankje. In deze verwarmde ruimte probeer ik mijn lichaam richting hemel te strekken, terwijl op een stoep, een straat en een gracht afstand een zwerver met wollen muts in de brandende zon de anderen iets driftig probeert duidelijk te maken. Zijn kop is knalrood.

Bij Camel pose waarbij je op je knieën staand en je heupen naar voren, echt heel diep achterover moet buigen, zodat je een binnenstebuiten gekeerde bult van een kameel bent geworden, denk ik aan de krantenkop boven het artikel dat op mijn bureau ligt.

'Iedere levensloop heeft een achteruitkijkspiegel'

Het is een uitspraak van Nobelprijswinnaar Herta Müller en ik vind achteruitkijkspiegel een mooi woord en een mooi beeld. Ik gebruikte dat beeld zelf ook al eerder, in een monoloog. Het beeld van een man die in zijn auto wegrijdt nadat zijn huwelijk is stukgelopen en hoe hij in zijn achteruitkijkspiegel zijn verleden kleiner ziet worden. Mensen kunnen aan het zwerven slaan door die dingen. Ik hang ondersteboven naar de achtermuur te kijken en ik kijk in mijn achteruitkijkspiegel. Als ik weer in de gewone spiegel voor me kijk, haal ik opgelucht adem.

maandag 26 april 2010

En toen...

liet ik de studenten subtekst schrijven onder ieder zinnetje tekst van hun eigen dialoog en toen onder de dialoog van een ander. En toen las ik voor uit The Catcher in the Rye. Een dialoog (met heel veel subtekst) waarin Horwitz zich een vis in het ijs voelt. En toen lazen we 's morgens eerst 7 dialogen met heel veel subtekst en toen lazen we 's middags 8 dialogen met heel veel subtekst. We ontdekten dat als je met subtekst schrijft je al snel in metaforen gaat schrijven en dat metaforen stomvervelend kunnen worden als je die probeert tot in het oneindige vol te houden. Toen reisde ik per trein van Utrecht naar Amstelveen en at een gehakt-groenteschoteltje dat Pieter had klaargemaakt voor zijn schrijfdocent en docent vormgeven. We hadden zelfs een toetje. Toen lazen we de geschreven dialogen van de poppenspelers. En spraken over mogelijke beelden die de dialoog opriep en kwamen hardop fantaserend op de meest uitgebreide, hartverscheurende, poëtische verhalen die je maar bedenken kan. De docenten reden gezamenlijk terug in de bus en ik stapte uit op het busstation. Ik hoorde een stem die mij riep vanaf de overkant van het water. Kom, zei de stem en ik dook het water in. Het was al heel laat en donker en de dag moest wel tot een einde komen.

zondag 25 april 2010

Ruimte

Er zijn mensen die veel ruimte innemen en mensen die gewoon de hoeveelheid ruimte innemen die ze innemen. De eerste soort is echt een territoriumveroveraar. Hij heeft volume, zowel in grootte als in stemgeluid. Er zijn nieuwe mensen komen wonen in één van de binnentuinen. Ze zijn natuurlijk niet in de tuin komen wonen maar in het daarbij behorende huis, maar ze hebben zich geïnstalleerd in de tuin. Ze zijn met velen. Ze hebben muziek opgezet waar ik de zenuwen van krijg. De flessen wijn ploppen open. Eentje heeft het krat bier op zijn kant gezet en is daarop gaan zitten. Het ziet er naar uit dat het een feestje dreigt te worden. De jongen op het krat lacht om de vijf tellen heel hard en je vraagt je af waarom. In dit egotijdperk vinden veel mensen dat ze de hoofdrol verdienen en spelen die met verve, zich niet bekommerend om smaak of schoonheid. Ze zijn wie ze zijn. En doen daar nog een schepje bovenop. Ze overdrijven zichzelf. En zo schateren en bulderen de nieuwe bewoners in de rustige binnentuin. De stilte valt ze niet op. Die hebben ze zelf verbroken.

zaterdag 24 april 2010

The Catcher in the Rye

Ik herlees één van de mooiste boeken aller tijden. Na de meesterlijke dialoog tussen Horwitz, de taxichauffeur en Holden Caulfield, waarin Holden vraagt of Horwitz weet waar de eenden uit Central Park heen gaan in de winter, volgt het stukje over de pianist Ernie.

It was pretty quiet, though, because Ernie was playing the piano. It was supposed to be something holy, for God's sake, when he sat down at the piano. Nobody's that good. About three couples, besides me, were waiting for tables, and they were all shoving and standing on tiptoes to get a look at old Ernie while he played. He had a big damn mirror in front of the piano, with this big spotlight on him, so that everybody could watch his face while he played. You couldn't see his fingers while he played - just his big old face. Big deal. I'm not too sure what the name of the song was that he was playing when I came in, but whatever it was, he was really stinking it up. He was putting all these dumb, showoffy ripples in the high notes, and a lot of other very tricky stuff that gives me a pain in the ass. You should've heard the crowd, though, when he was finished. You would've puked. They went mad. They were exactly the same morons that laugh like hyenas in the movies at stuff that isn't funny. I swear to God, if I were a piano player or an actor or something and all those dopes thought I was terrific, I'd hate it. I wouldn't even want them to clap for me. People always clap for the wrong things. If I were a piano player, I'd play it in the goddamn closet.

vrijdag 23 april 2010

Driehoogjes

Als in een droom zie ik de glazenwasser aan de overkant van de straat de ramen op driehoog lappen. Al jaren vraag ik aan iedere glazenwasser die ik bezig zie of hij ook ramen op driehoog lapt. En al jaren worden de ramen van de huizen waarin ik woon viezer en viezer, tot de dag dat ik door mijn ramen niks meer zie, en ik ze uit de sponningen haal om ze van binnen en van buiten te lappen. Ik dacht dat een wet driehoog lappen verbood ter bescherming van de glazenwasser. En nu zie ik het gebeuren. De boomlange glazenwasser schuift zijn ladder uit en uit en uit, en zet die behoedzaam tegen de gevel. Vervolgens klimt hij er zelf achteraan om aan zijn tweede raam te beginnen. Korte tijd later blinken de ramen in de zon. Ik ben al op weg naar beneden.

'De vorige deed geen driehoogjes.'
'Maar u wel,' zeg ik. 'U bent niet bang.'
Ik vraag hem hoe hij de winter is doorgekomen.
'Vroeger had je van die stevige houten ladders. Die zette je met een gang in de sneeuw en die stond dan gelijk als een huis.'
Hij doet voor hoe je de ladders van vroeger in de sneeuw zet.
'Nu moet je met een jerrycannetje heet water eerst je de stoep sneeuwvrij maken om stabiel die ladder op te kunnen.'
'Pittig wintertje zeker?' vraag ik.
'Zeker, want het lappen gaat het hele jaar door, weer of geen weer.'

De zwaluwen van Aberystwyth

donderdag 22 april 2010

De scheve mens in balans

Gister is er op twee manieren aan mij gesleuteld. Tweemaal lag ik op de behandelbank. 's Morgens lag ik op mijn buik, met mijn gezicht in een daarvoor bestemd gat zodat je kunt blijven ademen, en werd mijn scheve lijf rechtgezet door een orthomanueel arts. 's Avonds lag ik op mijn rug te soezen onder een dekbed voor een voetreflexzonebehande- ling en vonden de drukpunten onder mijn voeten aansluiting met de bijbehorende zones in mijn lichaam. Mijn linkervoet, waar je emoties huizen, zo leerde ik, was aanvankelijk een klompje ijs. Mijn verstands- kant was wat warmer aangelegd. Of ik dat herkende, vroeg de reflexoloog na afloop.
'Ik denk graag na over emoties,' zei ik. 'Dat geeft me houvast.'
Ondertussen wilde ik haar zoenen, overweldigd als ik was, door van alles en nog wat. Op weg naar huis waren beide voeten zo gloeiend heet dat ik voetsporen in het asfalt achterliet. I'm a poor lonesome cowboy, huilde ik naar het halve maantje. 's Nachts droomde ik van zachte vingers.

dinsdag 20 april 2010

Bouwput (gedachte 2)

In de theaterwereld is het contact met collega's vluchtig maar heel intens. Je werkt in korte tijd toe naar een productie en je hebt te maken met emoties, persoonlijkheden en zaken die mensen aan het hart gaan. Toen ik langs een bouwput liep, bedacht ik hoe het zou zijn als een bouwvakker ineens heel esthetisch naar zijn werk zou kijken.
'Die steen die moet echt een stukje naar links.'
'Hoezo kan dat niet?'
'Wat doe ik hier dan nog?'
'Kun jij mij de hamer even aangeven? Je bent een engel, dank je wel.'
'Wat hebben we vandaag fantastisch samengewerkt.'
'Wat zijn we lekker opgeschoten, jongens.'
En dan aan het eind van de dag zoenen alle bouwvakkers elkaar. En als het bouwproject is voltooid, geven ze elkaar toepasselijke cadeautjes die iets zeggen over de tunnel die ze samen gegraven hebben. En ze schrijven lieve kaartjes met teksten als: Ik hoop dat we bij de bouw van de parkeergarage weer samenwerken, want we graven zo lekker samen.
Of: Dank voor je inzicht en fijngevoeligheid.
Of: Toen met die steiger was je top!

Ik herinnerde me ineens de scène uit de film Flirt van Hal Hartley waarin bouwvakkers een relationeel vraagstuk oplossen.

De aanval is de beste verdediging (gedachte 1)

Mijn acties zijn vaak een reactie op iets of iemand. Nog erger is als ik reageer op de gedachten die ik een ander toeken. Als ik denk voor de ander. Ik kan me behoorlijk kwaad maken over de gedachten die de ander zogenaamd gehad zou hebben. Hij denkt zeker dat ik malle Eppie ben, denk ik dan. Ik zal 'm eens... En dan volgen allerlei vuige en vervuilende gedachten. Met een denkbeeldige zwarte stripwolk boven mijn hoofd. De gedachten die ik de ander in gedachten heb toebedeeld, kunnen akelig echt lijken. In dat stadium ben ik al te ver heen om te checken of die gedachten van de ander ook daadwerkelijk kloppen. Het zou gezichtsverlies zijn als mijn reactie niet verschrikkelijk rechtvaardig zou blijken. Dus moeten de vermeende actie van de ander en mijn reactie daarop als waarheid de geschiedenisboeken in. Vandaag bedacht ik dat het beter is om minder te denken voor de ander. De gedachten van de ander in te vullen. Ik kan helemaal niet in het hoofd van een ander kijken. Ik ben geen helderziende. Dit is overigens geen reactie op iets wat vandaag gebeurde. Het was echt alleen een gedachte die opkwam. In een koortsig hoofd, dat dan weer wel.

maandag 19 april 2010

Toneel

In het schooltje achter wordt vanavond gerepeteerd aan een toneelvoorstelling. Kinderen in ridder- en kabouterkostuums spelen een paniekscène. Daarom kijk ik naar buiten. Omdat ik een gegil hoor van jewelste. Tijdens het avondeten kwam er al een brandweerauto met gierende sirenes door de straat. Nu zie ik hoe een jongen in een zwarte cape een meisje in de wurggreep neemt. Het meisje zijgt ineen met een laatste ademtocht van hoog naar laag. Even stilte en een hysterische massascène volgt. Kinderen rennen door elkaar en spelen de wanhoop die ze voelen bij de moord die net heeft plaatsgevonden. Was het de prinses of hun koningin? En dan klinkt er vrolijke hoempamuziek en is de dansscène aan de beurt. De juf doet het voor met sierlijke bewegingen.

zaterdag 17 april 2010

De eenzame eik

Op het hoogste punt van de Utrechtse Heuvelrug staat de eenzame eik. Je weet dat het de eenzame eik is omdat er op zijn stam geen littekens te zien zijn. Hij is nooit beknot geweest door omringende eiken. Zijn bast is gaaf. Hij kan vrijuit groeien. Zijn takken zijn mooi in balans. Het is een evenwichtige eik. Er zijn acht wandelpaden die naar de eenzame eik leiden. En rondom staan bankjes waarop mensen hem gezelschap houden met een boterham of een appel.

woensdag 14 april 2010

Heilig vuur

Het is woensdagmiddag en de school achter ons huis gaat uit. Het is alsof er een grote mond opengaat die oneindig veel verhalen te vertellen heeft in alle toonaarden. De stemmetjes die weerkaatsen tegen de achtergevels van de huizen. Ik stem mijn pauzes af op het schooltje dat temidden van onze tuinen al jarenlang kinderen grootbrengt. Terwijl ik koffie maak, luister ik naar hun gezang en hun uitleg van het te spelen spel. De kinderen blijven altijd even oud, terwijl de mensen in de omringende huizen ouder worden. Het is één van die vreemde gewaarwordingen die ik de laatste tijd ook heb als ik lesgeef. Het moet gebeurd zijn op het stoepje van de schrijfopleiding in Utrecht, het stoepje bij de voordeur waar ik als student ook al zat, waar het een constante stroom is van in- en uitlopende studenten. Studenten die niet ouder worden. Op dat stoepje voor de school nam ik onlangs de beslissing dat ik minder les ga geven. Dat ik me meer wil ontwikkelen temidden van leeftijdgenoten die even oud blijven als ik. Dat het vooruitblikken nu even belangrijker is dan het terugblikken naar hoe ik zelf leerde schrijven. De twee gaan niet meer samen in mijn hoofd. Ik heb oneindig veel bewondering voor alle juffen, meesters, leraren, docenten, hoogleraren die het lesgeven als heilige missie beschouwen. Je moet uit heel speciaal hout zijn gesneden. En daarmee wordt dit een ode aan de docent van wie ik het meest geleerd heb. Pieter Vrijman neemt over precies een week afscheid van het onderwijs, omdat hij met pensioen gaat. In zijn zogenaamde vrije tijd leidt hij inmiddels een school voor poppentheater. Omdat het lesvuur bij sommigen niet te doven is.

dinsdag 13 april 2010

Werkelijkheidservaring

Ik vraag me af hoe we dat ook alweer deden op school. Werkelijkheidservaring met Frederice. Het vak waar we momenten uit ons dagelijks leven zo precies mogelijk moesten opschrijven, vier jaar lang. Frederice begon dan: 'Ik fietste vanmorgen op de Berlagebrug en het waaide zo hard, dat ik midden op de brug op mijn trappers moest staan. Ik stond echt even stil.' Aan het eind van het jaar hadden wij een schrift vol knarsmomenten, nulmomenten, wrijfmomenten, synchroonmomenten en stiltemomenten. Ik ben vorige week weer begonnen met yoga en het is vechten tegen de gedachten van ervoor en erna. De hele les denk ik: Nee, tijdens. Nee, in het moment. Nee, hier en nu. Gewoon luisteren en doen wat de leraar zegt. Verder niks. Mijn moeder mediteert al jaren en noemt het 'haar rommelzolder leegmaken'. Tijdens de yoga sta ik nu nog als een gek mijn rommelzolder leeg te maken. Over een tijdje zal het weer meer vanzelf gaan. Dat weet ik. Daar kijk ik naar uit. Nu.

Marathon II

En zojuist 106 selectie-dialogen gelezen. Zoveel mensen willen er dit jaar naar de Schrijfopleiding.

Marathon

Vandaag heb ik 12 uur schrijfles gegeven en heb ik zelf even niks te schrijven.

zondag 11 april 2010

Kyra

Na afloop van de première gister sprak ik mensen die ik in jaren niet gesproken heb, allemaal mensen die op dezelfde school hebben gezeten, acteurs, schrijvers en vormgevers. Ik raakte in gesprek met een vriendin van Kyra. Kyra zat bij ons op school en was een bijzonder meisje. Kyra heeft afgelopen zomer een einde aan haar leven gemaakt. Ik hoorde daarvan toen ik op het eiland Kythira was. Iemand mailde me de rouwkaart. ‘Dit is wat ik wilde’ stond er. Ik heb tijdens een wandeling op de rand van een ravijn een steen voor haar achtergelaten. Op het eiland met op drie letters na dezelfde naam als zij. Nu hoorde ik wat meer details over haar gesteldheid, dat ze borderline had. De vriendin vertelde over een voorstelling die Kyra en zij hadden gemaakt. Engel onder je oksel heette die. ‘Het productiehuis vond de voorstelling verschrikkelijk en ze zeiden dat het nooit vertoond had mogen worden, maar wij waren trots.’ Ze vertelde wat er zoal op het toneel gebeurde en ik vond het leuk om te luisteren naar iemand die vertelt over een voorstelling die je niet gezien hebt. De laatste keer dat ik Kyra zag, was toen ik een nacht bij haar ging logeren. Ze woonde in haar eentje in een gekraakt klooster met wel vijftig kamers. Die nacht lazen we om beurten onze eigen teksten aan elkaar voor. Die van mij net zo depressief of gebroken als die van haar.