donderdag 11 oktober 2012

Iedereen heeft hetzelfde

De podotherapeut die ik vandaag bezocht, leek sprekend op een bevriende acteur. Door zijn jovialiteit en mijn verwarring over de gelijkenis, deden we beiden of we oude vrienden waren.
Hij wist onmiddellijk wat ik mankeerde.
'Zal ik mijn klacht vertellen?', vroeg ik, maar dat was niet nodig want iedereen die bij hem kwam, had hetzelfde: losse spierbanden. Steeds meer mensen hadden dat.
'Losse spierbanden zijn genetisch sterker dan stevige, dus als één ouder losse spierbanden heeft, geheid dat het kind juist die banden erft. Dus reken maar uit. Straks heeft iedereen het. In die zin heb ik een saai vak, maar wel volop werk.'
Ik had nog altijd mijn laarzen aan. Met zijn handen, alsof het voeten waren, verbeeldde hij hoe het met mijn grote tenen gesteld was.
'Ik heb het idee dat mijn onderbenen steeds krommer worden', zei ik. 'Kan dat?'
'Als jij vandaag niet hier was gekomen, had jij op je 92e zo gelopen', en hij deed voor hoe ik als hoogbejaarde zou lopen als ik nooit naar een podotherapeut zou zijn gegaan.
'Zie je ze nooit lopen, de oude vrouwtjes in Spanje?'
Ik was al jaren niet op vakantie geweest. Ik zag vooral mezelf. De bevriende acteur en de acterende podotherapeut overlapten elkaar nu naadloos en ik werd meegesleurd door de vertolking van mij als oude vrouw die nooit in haar leven een podotherapeut zag. En net zoals ik altijd verliefd word op de acteurs in mijn stukken, werd ik op slag verliefd op de podotherapeut en leefde mee met de oude vrouw die hem nooit zou gaan ontmoeten. Het ergste waren de kromme beentjes die hij haar gaf. Ze hadden kennelijk geen podotherapie in Spanje.
'Jij bent mijn redding', zei ik.
'Laat nu die voetjes maar eens zien', zei hij eindelijk en ik mocht mijn voeten bevrijden en ze op de behandelbank leggen.
'Dat zijn een stel mooie voetjes.' Hij bewoog mijn grote tenen ruw op en neer ten opzichte van de tweede teen. Hij vergeleek beide voeten.
'Zie je wat een ruimte daar zit.'
Ik zag niks maar het deed wel helse pijn.
'Heb je al lang klachten?'
'In het algemeen?', vroeg ik.
Ik vertelde dat ik van een stapelbed gevallen was toen ik één was en dat ik altijd in de gaten gehouden werd of het allemaal wel goed met mij kwam. En dat ik altijd al raar gelopen had, met zwabberende voeten.
'Maar het is toch goed gekomen.'
'Tot vandaag', zei ik.
Er werden afdrukken van mijn voeten gemaakt.
'Je mag al je kleren weer aantrekken', zei hij, teleurgesteld, omdat het alleen voeten waren die hij de hele dag bloot zag.
'Over twee weken zijn ze klaar, je zooltjes. Neem zoveel mogelijk verschillende schoenen mee en dan gaan we leren lopen.'

woensdag 27 juni 2012

Alleen

Mijn moeder voelt zich eenzaam en ontredderd, zeggen de artsen in het ziekenhuis. Vooral als ze alleen in een kamer is en er niemand om haar heen is. Dan doet haar leven er niet zoveel meer toe. Zolang mensen zich met haar bezighouden, is ze vrolijk. Altijd een gezelschapsdier geweest, mijn moeder. Ze is vijf dagen in het ziekenhuis geweest voor onderzoek. We hebben haar beloofd dat dit de laatste keer zal zijn. Ze vindt het heerlijk om weer naar huis te gaan. Mijn vader is de kwiekste van ons. Ik ben vorige week door mijn enkel gegaan. Mijn vader duwt de rolstoel en de dochter strompelt achter hem aan. Vroeger als we in het bos wandelden, hield hij zijn handen gevouwen op zijn rug. Ik deed hem dat na. Er zijn foto's van een lange dunne vader op de rug gezien en daarachter een klein blond meisje met de handjes gevouwen op haar rug. Mijn moeder heeft dat vastgelegd, talloze keren. Mijn vader deed altijd alsof we verdwaald waren in het bos en begon dan hardop te fantaseren wat we allemaal zouden moeten doen om te overleven.
Als we thuis zijn, gaat mijn vader boodschappen doen. En hij moet ook nog een rolstoel gaan halen, zodat we naar het strand kunnen want ze kan nog maar kleine eindjes lopen. Ik schrijf in het schrift wat er allemaal besproken is in het ziekenhuis. 
Mijn moeder is stil en ik ben ook niet erg spraakzaam nu ik schrijf. Als ik naar haar kijk, zie ik dat haar ogen dichtvallen. Ik vraag of ze moe is.
'Ja, dat ik toch steeds zo moe ben hè', zegt ze.
'Vind je de tuin niet prachtig?', vraag ik.
'Prachtig ja.'
Ze kijkt de tuin in alsof ze iets zoekt. Als het een tijdje stil is, vallen haar ogen weer dicht.
'Mam, neem maar een slokje van je thee', zeg ik.
'O ja', en ze tilt het kopje op en blaast in de koude thee. 
'Ik denk dat ik maar weer even ga liggen.'
'Dat is goed, mam, dan roep ik je zo weer.'
'Vind je het niet ongezellig?', vraagt ze.
'Nee hoor, ga maar lekker even liggen. Lukt het alleen?'
Even later kijk ik om het hoekje en zie haar liggen op de bank. Ze heeft haar schoenen uitgetrokken. Na ongeveer tien minuten komt ze alweer met haar rollator naar haar stoel gelopen. Ze heeft haar schoenen weer aan.
'Lekker geslapen, mam?'
'Heerlijk.'
'Zullen we even gaan wandelen?'
'Ik geloof niet dat ik daar zin in heb.'
Ik weet van de buurvrouw die iedere dag met haar wandelt, dat je haar gewoon moet overhalen.
'Ik denk wel dat het goed is hoor.'
'Zou je denken?'
'We kunnen het proberen en zien wel hoever we komen. Ik ga zelf ook niet al te snel. Ik ga je jas wel even halen.'
Ik trek haar jas aan en we gaan via de garage de oprit af, het straatje in. Ik voel de ogen van de buurvrouw mijn initiatief goedkeuren. Mijn moeder loopt voorover gebogen en is kortademig.
'Rechtop, doe maar of je aan een draadje wordt opgetrokken', zeg ik.
Na iedere twee stappen staat ze stil. Ik pluk een bloemetje van een struik in de tuin van de overburen en houd het voor haar neus.
'Lekker', zegt ze. Ik bedenk dat aromatherapie wel iets voor haar zou zijn. Prikkeling van de zintuigen om haar eenzaamheid te lijf te gaan.
Die middag laat ik haar de aardappels schillen. We moeten haar meer betrekken in het dagelijkse leven. Ik pak de mand met aardappels, leg de dunschiller erin en het aardappelmesje voor de pitten. Precies zoals ik me herinner dat ze het vroeger deed. Ik zet een pan water op het tafeltje naast haar, om ze in te doen. Terwijl ik de boontjes dop, de zalm zout en een salade maak, zie ik haar verbeten schillen, met de tong uit haar mond. Haar fanatisme heeft ze nog.
Als mijn vader thuiskomt, laat ik hem trots de aardappels zien.
'Kijk, heeft mamma geschild.'
'Echt waar? Heb jij die geschild?', vraagt hij mijn moeder.
'Welnee', zegt ze.

vrijdag 8 juni 2012

De godverdommes

Ik zat vanmorgen vroeg in de tram te genieten van een jong hondje, laag op de pootjes, met te grote oren voor de rest van zijn lijf. Het meisje dat het hondje aan de lijn had, lachte trots naar me. We zaten achterin en elke keer als bij de halte mensen voor de deur stonden om eruit te gaan, snuffelde het hondje voorzichtig aan hun schoenen, leren tassen en bij een meisje aan de bontjes van haar laarzen. Daar moest ik om lachen. Zijn staart hing plat en loodrecht achter zijn lijf naar beneden en reikte tot de grond. Als de deur open was en de mensen naar buiten, dan gooide het hondje zijn neus in de wind alsof hij die op wilde vangen. Dan ging de schuifdeur hortend en stotend dicht en deinsde hij achteruit, viel eerst van schrik op zijn kont en ging dan naar het baasje om aangehaald te worden.
'Goed zo', zei het meisje dan. Zo ging het een paar haltes.
'Dit is zijn eerste keer in de tram', zei het meisje.
'Hij probeert alles te begrijpen, maar het is natuurlijk onbegrijpelijk wat hier gebeurt', zei ik.
Ik zat helemaal in de wereld van het hondje. De geluiden, de schuifdeur, het hekje, het piepen van de ov-chipkaarten. Alles vanuit het perspectief van die hond.

Op de Marnixstraat werd omgeroepen dat er een ongeluk gebeurd was en dat de tram door zou rijden tot het Haarlemmerplein, maar ik moest naar Centraal station. Dus ik stapte uit om de bus te nemen. De tram reed door en ik zwaaide naar het meisje dat wel verder ging. Ik dacht aan het hondje dat mij nu niet kon zien.

Een groot deel van de mensen stapte over op de bus die achter de tram was aangesloten. Een vrouw voorin was erg opgefokt en zei wel drie keer godverdomme. De bus reed een stukje en stopte 30 meter verder op de halte nog een keer. Een oude vrouw stapte in en dat ging nogal traag.
'Ja, jezus mens', zei de opgefokte vrouw tegen haar.
Ze zei het echt en ik stond op het punt er iets van te zeggen, toen de oude vrouw zei: 'Ach ja, ik heb ook maar één leven.'
Ik moest daar even over nadenken maar ik vond dat ze zich daarmee goed verweerd had tegen de opgefokte vrouw. Ik zag de oude vrouw letterlijk dat ene leven op haar rug torsen, zich daar constant voor verontschuldigend.
De bus werd voller en voller en bij elke halte hoorde ik een godverdomme en wist ik precies waar de opgefokte vrouw zich in de bus bevond. Tot ze bij de Dam uitstapte.

Vlak voor Centraal stond er een man naast me. We stonden stil voor de laatste kruising.
'Godverdomme', zei de man, 'waarom staan we stil?'
Ik zag een schoolklas kindertjes het zebrapad oversteken.
'We kunnen ook gewoon op die kinderen inrijden', zei ik tegen hem.
Hij wendde zich af. Buiten regende het pijpenstelen.

zaterdag 19 mei 2012

Wat eten we?

Mijn ouders eten te weinig groenten. Het is een grote zorg. Sinds mijn moeder terug is uit het ziekenhuis moet ze goed eten want ze had veel tekorten. Mijn moeder kookt niet meer terwijl zij altijd van het gezonde eten was. Twee keer per week vette vis, gember door de dagelijkse sla, goede vetten, veel groene bladgroenten. Mijn moeder is een groente- en vismens. Mijn vader een vleesmens.
'Als ik vroeger thuiskwam en ik vroeg wat we aten, zei je moeder: spruitjes. En dan zei ik: nee, wat voor vlees eten we?' vertelt mijn vader. Hij krijgt geen medestanders.
'Precies, een groentemens dus', zeggen wij.
Die voorliefde voor groente hebben wij van haar. Mijn zus wordt in haar gezin het konijn genoemd, omdat zij altijd de overgebleven restjes sla en groenten opeet.
Mijn vader kookt nu. Feitelijk haalt hij maaltijden bij de slager, stamppotten, lasagne, nasi. Toen mijn moeder thuiskwam uit het ziekenhuis hebben we hem op het hart gedrukt dat daar groenten bij moeten. Eerst hebben we tafeltje-dekje aan de man proberen te brengen, omdat daar tenminste groenten bij zitten, maar mijn vader is faliekant tegen tafeltje-dekje. Toen hebben we geprobeerd bakjes gesneden groenten in de ijskast te zetten voor een paar dagen zodat hij ze alleen nog hoeft te koken, maar de bakjes blijven staan.
'Ik kom om in de groente', zegt hij. Laatst had hij twee dagen achter elkaar mijn moeder alleen maar groente gegeven. 'Met een likje van die paté die ik nog had', zegt hij. 'Toen ik haar de dag erop vroeg: wil je vandaag weer groente? zei ze dat ze daar niet zo'n trek in had', zegt hij alsof hij daarmee ons ongelijk met die groente bewezen heeft.
'Alleen maar groente met een likje paté lijkt mij ook niet erg lekker', zeg ik. Niks mee aan te vangen, die man. Ze bestaan echt, de mensen die niet zien uit welke componenten een bord eten moet bestaan. Als wij er zijn, maken we een visje voor mijn moeder met twee soorten groenten en een salade en aardappeltjes en dan zit ze heerlijk te smullen. Als mijn moeder naar de dagopvang is en mijn vader alleen moet eten, eet hij een stuk lasagne of nasi met een satéstokje. Hij haalt het uit de vriezer en stopt het in de magnetron.
'Daar kan ook groente bij', probeer ik.
'Voor mij hoeft daar geen groente bij', zegt hij.
Dat mijn vader geen groente eet, zal ons inmiddels worst wezen. Mijn vader is zo sterk als een eik. Wij komen op voor onze moeder. Dus kookt iedereen nu een paar extra maaltijden die in zijn geheel opgewarmd kunnen worden.

vrijdag 4 mei 2012

Andere wereld

Mijn moeder is tijdelijk opgenomen in het ziekenhuis. Ze verblijft twee weken op de afdeling geriatrie. Dat is de afdeling met de deur die alleen opengaat als je je het huidige jaartal weet te herinneren. Mijn moeder zegt dat het lijkt alsof wij uit een andere wereld komen. Ik vraag haar naar haar wereld.
'Ik ben gewoon hier', zegt ze.
Er speelt een pianist in de huiskamer. Für Elise. En daarna Schubert. Mijn vader zingt Die Forelle mee met hoge tenorstem, terwijl hij altijd bariton zong in het koor. Mijn moeder kijkt vol bewondering naar hem. De andere bewoners hebben geen bezoek. Wij worden gedeeld met alle bewoners op de afdeling.
'Jullie kunnen koffie of thee pakken als jullie willen', zegt een man gastvrij en wijst naar het aanrecht achter ons.
Ik schenk koffie voor ons in. Mijn vader geeft mijn moeder de overlijdenskaart van de zus van mijn zwager. Er staat een portret van haar op de voorkant en de man naast mijn moeder zegt: 'Ik heb het idee dat ik die vrouw ken.'
Hoewel ik op deze afdeling geneigd ben te denken dat hij iedere foto zou herkennen, blijkt hij de zus van mijn zwager echt te kennen. Deze man is pater in een klooster en de zus van mijn zwager kwam daar vaak naar de dienst. De pater is 92 jaar. Ik schaam me voor mijn geheime gedachten.
'Ik vind het zo vreemd dat ik hier nu met jullie zit', zegt mijn moeder.
Ik kijk naar de enorme boom die buiten voor het raam staat. De pianist speelt verder en we applaudisseren na ieder lied. Hij doet dit vrijwillig, iedere drie weken.
'Ik hoop niet dat ik jullie nog zie', zegt hij bij het afscheid, 'want dat zou betekenen dat jullie hier nog lang moeten blijven.'
Mijn moeder wijst naar hem en zegt: 'Dat vind ik zó'n lelijk ding.'
De pianist grijpt naar zijn kleren ter hoogte van waar mijn moeder wijst en zegt: 'Wat? Mijn trui?'
'Nee, nee,' zegt ze, 'die klok achter u. Foeilelijk.'
De pianist zet een stap opzij en we kijken naar de spuuglelijke klok. Mijn vader verschuift zijn stoel.
'Ik ga er wel even voor zitten', zegt hij.

donderdag 19 april 2012

Sentimental journey

Een cursiste van mij heeft een paar weken geleden haar man verloren. Vrij snel na de begrafenis kwam ze dapper terug. Haar man bracht haar altijd weg en wachtte dan in een kroegje op de hoek. Ze moesten helemaal uit Alphen aan de Rijn komen. Hij was een ras-Amsterdammer en werkte vroeger in het gebouw waar ik lesgeef. In tijden dat het nog een pakhuis was. Hij vond het leuk om haar weg te brengen, want dan kon hij weer effe de sfeer proeven. Zij is slecht ter been en moet in het gebouw met de lift naar boven komen. In de korte tijd dat ze afwezig was, de periode waarin wij haar als cursusgenoten een condoléancekaart stuurden, hoorde ik dat hij ook invalide was en ze van Alpen aan de Rijn naar Amsterdam kwamen in zo'n wagentje dat maar 45 kilometer per uur kan. Ik zag ze gaan over de provinciale wegen en ik zag hem haar afzetten in de schaduw van het grote gebouw. Ik heb hem nooit gezien of gesproken maar hij leefde voor ons. Hij was deel van de cursus geworden. Nu komt de cursiste met het openbaar vervoer en krijgt dan op de terugweg 'een slinger', zoals ze dat noemt van een medecursist. Gisteravond was de medecursist ziek en had ik haar gemaild dat ik haar na afloop die slinger zou geven. Mijn vriend haalde ons op na de cursus en we reden naar Schiphol waar de interliners naar Alphen aan de Rijn vertrekken. We reden naar boven waar we naar beneden hadden gemoeten en we zagen de interliners in de diepte staan.
'Dan ga ik weer met de lift naar beneden', zei de cursiste. 'Dat heb ik de vorige keer ook gedaan.'
We zetten haar af bij de vertrekhal en we zagen haar met haar stok over het zebrapad richting lift verdwijnen.
'Zetten we iemand af op Schiphol die naar Alphen aan de Rijn moet', zei mijn vriend. 'En die komen allemaal bij jou op cursus.'

woensdag 14 maart 2012

Begraven als de Etrusken

Mijn zus vertelt dat onze vader heel erg van de Etrusken houdt. Dat hij zelfs begraven wil worden als de Etrusken.
'Wat een bijzondere vader hebben wij toch,' zeg ik. 'Ik wist dit niet.'
'Er is een afbeelding van een man die in het diepe springt en dat wil hij aan de binnenkant van de deksel van zijn kist geschilderd hebben.'
'Nou ja', zeg ik vol ongeloof. 'Dat is nou precies waar hij zo bang voor is: in het diepe springen.'
'Die springende man begeleidt je bij de oversteek van de rivier, om je goed en wel naar de overkant te brengen.'
Ik heb bijna tranen in mijn ogen, zo mooi vind ik het en ik zie de schildering voor me en mijn vader als oude Etrusk in een kist dobberend op de rivier en hoe hij veilig en wel aankomt in het land der doden.

Die dag nog google ik Etrusken en ik zie dat er een tentoonstelling is t/m aanstaande zondag in het Allard Pierson. Ik bel hem meteen op.
'Omdat jij zo van de Etrusken houdt, wil ik graag met jou naar die tentoonstelling.'
Hij kan zich niet goed herinneren dat hij gek is op Etrusken, maar hij vindt het wel leuk dat ik iets met hem wil ondernemen. Hij pakt de agenda erbij.
'Donderdag kan ik niet want dan moet ik voor mijn schouder naar de fysio, want ik heb iets aan mijn schouder en vrijdag komt de dokter voor mamma. Zaterdag komt de tuinman en zondag gaan wij al samen naar een feestje.'
Het leven neemt de dagen in beslag en er is geen tijd om met mijn vader zijn Etruskensnaar te ontdekken.

vrijdag 3 februari 2012

De laptopdokter

De laptop doet niks meer. En dat is lastig voor als ik uit schrijven wil. Al jarenlang fiets ik langs de Mac Care in de straat waar mijn zus woont. Nog nooit ging ik er binnen. Nu wel. De deur wordt van binnenuit open geklikt. Het is een beveiligde deur. Ik leg de laptop op de toonbank.
'Hij doet helemaal niks meer', zeg ik.
'Dat klinkt als de harde schijf', zegt de jongen.
'Zou kunnen', zeg ik wijs.
Ik moet mijn gegevens intikken op een computer. Een vrouw naast me staat in mij weg te dromen. Ik betrap haar. Ik glimlach eerder dan zij. Zij verdiept zich in het espresso-apparaat dat bij de ingang staat.
'Ik ben ingevoerd', zeg ik tegen de jongen als ik op 'gereed' heb gedrukt.
'Heb je een back-up gemaakt van je bestanden?'
'Nee', zeg ik zo nonchalant mogelijk. 'Ik heb altijd zoiets van, nou ja, dat is dan maar zo als dat weg is.'
'We kunnen kijken of we het terug kunnen halen', zegt de jongen. 'Dat kan een paar uur duren of drie dagen, om de gegevens eraf te halen.'
Achter hem zie ik allemaal vakjes met laptops als de mijne. Ze staan rechtop als boeken, aangelijnd. Digitale geheugens die worden afgetapt.
'Er moet een nieuwe harde schijf in.'
'Oké', zeg ik.
'We bellen je nog of het lukt met het terughalen van de bestanden en hoe moeilijk dat wordt.'
Mijn laptop krijgt een sticker, die hij eerst op zijn trui voorplakt en dan pas op het witte plastic. Om hem minder vast te laten plakken, denk ik. Nu de pluisjes van zijn trui ertussen zitten.
Ik krijg de met mijn laptop corresponderende bon mee naar huis.
'Dus jullie bellen mij?'
'Wij bellen jou.'

vrijdag 27 januari 2012

Vogels met een k

Mijn moeder en ik gaan een ochtend op proef naar de dagverzorging in het bejaardentehuis van hun dorp. Om te kijken of het iets voor haar is. Mijn moeder wil graag iets omhanden hebben en wij merken dat ze zich beter voelt als ze onder de mensen is. Van tevoren heb ik contact gehad met de vaste begeleidster en afgesproken dat we vandaag op de koffie komen, om kennis te maken met de groep en de begeleidsters. Wij mogen plaatsnemen aan het hoofd van de tafel. De mensen druppelen binnen achter rollators, met stokken en een enkeling in een rolstoel. Mijn moeder fluistert in mijn oor: 'Dat je hier dan ineens bij hoort.'
De aanwezigen hier zijn geen bewoners van het bejaardentehuis. Ze wonen allemaal nog zelfstandig en zijn allemaal van huis opgehaald door de chauffeur en komen hier één, twee of drie dagen in de week. Er is nóg een mevrouw die voor het eerst komt vandaag. We worden voorgesteld aan de groep.
'Kom maar gewoon hoor, het is hier hartstikke gezellig', zegt iemand.
'Kunt u rummikuppen?', vraagt de man die naast mijn moeder zit.
'Liever niet,' zegt mijn moeder alsof ze net door een vreemde mee uit eten is gevraagd.
'Anders konden we vanmiddag rummikuppen', legt de man uit, maar de begeleidster zegt dat wij alleen op de koffie komen en niet tot de middag blijven.
'O jammer', zegt de man.

Mevrouw Konijn is de oudste. Ze heeft als kind in het Maagdenhuis op het Spui gewoond, toen een weeshuis voor meisjes. Bij de nonnen.
'Zusters van de liefde. Krengen van barmhartigheid', roepen mevrouw Konijn en mijn moeder in koor.
'We kwamen altijd voor elkaar op, want van die nonnen moest je het niet hebben', vertelt mevrouw Konijn. 'Dat waren me toch een krengen.'
'Die nonnen waren verschrikkelijk', beaamt mijn moeder.
Ik kan de nonnenverhalen van mijn moeder dromen.

We gaan geheugenspelletjes doen.
'Vogels met een K', zegt de begeleidster.
'Kakatoe', opent mijn moeder het spel.
'Heel goed', zegt de begeleidster.
'Kaneelvogel', zegt een man vanaf de overkant van de tafel.
'Ik weet niet zeker of die bestaat, meneer Geesink, maar poëtisch is het wel', zegt de begeleidster.
'Ik meen er wel eens van gehoord te hebben', zegt meneer Geesink.
'Kakatoe', zegt de buurman van mijn moeder.
'Dat zei ik al', zegt mijn moeder.
De begeleidster legt mijn moeder uit dat haar buurman een beetje doof is en het waarschijnlijk niet gehoord heeft.
'Toch zei ik het', zegt mijn moeder, alsof de spelleiders de stand niet eerlijk bijhouden. Bloedfanatiek is ze.
Na de vogels moeten we gewone dieren bedenken die beginnen met een K. Het blijft een tijdje stil.
'Mevrouw Konijn?', zegt de begeleidster.
'Koe', zegt mevrouw Konijn.
'Konijn', zegt iemand anders.
'Ach ja, natuurlijk', zucht mevrouw Konijn.
We doen nog de waddeneilanden, hoofdsteden van landen en provincies, hondenrassen en paardenrassen (het onderdeel waarmee ik iedereen van tafel veeg). Voor de lunch nemen we afscheid. Ik zeg tegen mijn moeder dat we het thuis wel even zullen bespreken, maar ze is zó enthousiast. Ze wil het liefste volgende week beginnen.

Inmiddels gaat mijn moeder iedere week. Laatst vroeg ik of ze het leuk vond.
'Ik kom altijd met hoofdpijn thuis van het denken, want ze laten je echt nadenken.'
'En mevrouw Konijn? Is die er ook nog?'
'O, dat weet ik niet.'
'Dat was die wees die in het Maagdenhuis heeft gewoond.''
'Ja, er is wel een wees bij. Die is tweeënnegentig. Waar zou je nou anders een wees van tweeënnegentig ontmoeten?'

maandag 16 januari 2012

Mijn glimlach

Ik ben zojuist uitgescholden door een vrouw in de Hema en waarom? Omdat ik naar haar glimlachte. Ik deed dat niet bewust, maar zij wees mij erop. Ze stond in de rij voor mij en had zojuist afgerekend. Nu was ik aan de beurt en terwijl ik mijn pincode stond in te toetsen, kwam ze terug naast me staan en vroeg: 'Moet u soms lachen om mijn flesje wijn?'
Ik zei dat dit niet het geval was. Ze vroeg waarom ik dan zo moest lachen. Ze nam het nogal hoog op. Ik probeerde mij eruit te redden door te zeggen dat ik graag lachte. Maar daar trapte ze niet in.
'Jaja', zei ze. 'U heeft gelachen om mijn flesje wijn, maar ik woon hier al 28 jaar en ik mag drinken wat ik wil.'
Dit gesprek nam een hele rare wending en ik zei dat ik helemaal niet gezien had wat ze gekocht had.
'Nog liegen ook.' En daar had ze gelijk in. Ik had wel degelijk gezien dat ze een half flesje wijn gekocht had, maar er niks van gevonden. En ik begon me nu ook ernstig af te vragen waarom ik naar haar geglimlacht had. Je kunt niet zomaar naar iemand glimlachen want je krijgt de wind van voren.
'Zogenaamd een vriendelijk gezicht,' zei ze. 'Maar daaronder zit een vies, vies...' en ze schakelde over op een andere taal. Ik hoefde die taal niet te kennen om die te verstaan. De tranen sprongen in mijn ogen. Het kassameisje keek mij hulpeloos aan. Ik was overgeleverd aan deze klant. De vrouw verwijderde zich scheldend uit mijn buurt. Ik bleef nog even bij de kassa hangen, niemand zei wat. Ik draaide me om naar de schappen achter me. Over de speculaas heen, scande ik de winkel af en spotte haar op noord-west. Ik nam het rechtergangpad en maakte dat ik wegkwam.
Thuis bedacht ik wat ik had kunnen zeggen, hoewel dat bij dit soort types waarschijnlijk niet werkt, maar stel dat ik gezegd had: 'Mevrouw, ik heb van mijn leven nog niet zo gelachen. U maakt mijn hele dag goed met uw flesje wijn.'
Maar ik was te geschokt. Wat werd mijn glimlach daar zoeven verkeerd geïnterpreteerd.